|
|
Vechtsporten en criminaliteitTrain je om te vechten of juist om niet te vechten?
Door GERSON HEIDINGA, TobSport.nlGepost op:
19-12-2008. Onderwerpen in dit artikel: ·
Vechtsporters
in de onderwereld ·
K1:
Remy Bonjasky tegen Badr Hari en Braziliaans Jiu-Jitsu: de Gracie-familie ·
Onderzoek:
Bevordert vechtsport agressiviteit of juist beheersing? ·
Capoeira:
de dans-vechtkunst van de slaven ·
Kickboksprofs,
vanaf 9 jaar oud Met dank aan Erwin voor de inspiratie... Vechtsporten dragen al sinds lange tijd een zwaar en zwart
stempel met zich mee. Een stempel van verregaande verwevenheid van de
vechtsportwereld met de onderwereld. In hoeverre is dit terecht? Trekt het
karakter van het vechten de verkeerde figuren aan of gaat het om incidenten?
Stimuleren de sporten een toenemende mate van agressie bij de beoefenaars of
leren zij zich juist beter te beheersen? Iedereen kent wel de verhalen uit de
krant, waarin voormalige kampioenen ten slachtoffer vallen aan afrekeningen
in het criminele circuit. Of waarin zij als dader gepakt worden. De
‘klassieke’ inleiding bij de berichten luidt dan altijd als volgt: Potige en
getrainde vechtjas wordt ingezet als portier bij een etablissement vol
lastige klanten. Daar doet hij contacten op, die voor goed betaalde ‘klusjes’
zorgen. Door de goede verdiensten ontstaat de mogelijkheid meer tijd aan
training te besteden… Maar is dit algemene beeld wel terecht? Of moet de oorzaak
van het negatieve beeld van de vechtsportwereld toch gezocht worden bij ‘de
media’, die maar al te graag berichten over min-of-meer bekende sporters die
de fout in gaan? Het volk smult ervan! Het leest ook zo lekker weg. De
voormalig kickbokskoning, die langzaam wegzakte in het moeras van de
onderwereld en uiteindelijk zelf het loodje legt. Eindigend in een blok
cement op de bodem van een gracht. In dit artikel komen individuele
voorbeelden aan bod van criminele vechtsporters. Daarnaast richten we ons op
onderzoeken naar de samenhang tussen het beoefenen van vechtsport en agressie
en crimineel gedrag. Ook voorbeelden uit het verleden komen aan bod. Aan het
einde van het artikel trekt TobSport zijn conclusie… Voorbeelden van
criminele vechtsporters Gerlof Leistra publiceerde in 2007 in Elsevier over
vechtsporters in het criminele circuit. Met naam en toenaam. Hij geeft aan,
dat “vechtsporters onder meer betrokken
zijn bij afpersing, handel in drugs en liquidaties”. En dat er al vanaf
de jaren ’70 “nauwe banden bestaan
tussen vechtsporters en de criminaliteit”. Hij haalt als een van de
initiatoren de koning van de Wallen aan, Zwarte Joop, die gebruik maakte van
een knokploeg om de rosse buurt schoon te houden. Zijn adjudant was Chris
Dolman, een van de eerste Nederlandse freefighters. Leistra geeft aan, dat “onder andere Olympisch kampioen Wim Ruska
tot het omvangrijke portiers- en beveiligingsnetwerk behoorde”. In de
jaren ’80 werkte wereldkampioen kickboksen André Brilleman voor de
Nederlandse ‘godfather’ Klaas Bruinsma. Totdat hij probeerde een loopje te
nemen met Klaas. Hij eindigde in stukken gehakt, in een olievat, gegoten in
beton, op de bodem van de Maas. De lijst met namen die Leistra opsomt gaat maar door:
sportschoolhouder Jan Plas, bokser Rudi Koopman, kickbokser Peter Smit,
kickbokser Koen de Nijs, freefighter Huseyin Cift en bokser Unsul Altintay.
Allemaal kampioenen. Een andere bekende, criminele sporter was wereldkampioen
boksen Nordin Ben Salah, die in Amsterdam werd geliquideerd in 2004. Leistra:
“volgens ingewijden rekruteerde Ben
Salah huurmoordenaars en wist hij daardoor te veel”. In 2007 schreef
Leistra over “de meest gezochte
crimineel van het moment”, Dino Soerel. Een man die geregeld in de ring
stond als freefighter. Een man die tot de Holleeder-kliek gerekend mag worden
en verdacht wordt van betrokkenheid met de geruchtmakende moord op crimineel
en kroegbaas Thomas van der Bijl in 2006. Hij is tot op heden nog steeds
voortvluchtig. Een andere link met criminaliteit is ontstaan door de
populariteit van vechtsport als entertainment. De gala’s trekken volle zalen.
Er kan verdiend worden op entreeprijzen, vip-arrangementen, gokken, sponsorcontracten
en het verpatsen van uitzendrechten. Ook de vechtsporters zelf zoeken de
criminaliteit op met als grootste drijfveer: veel geld verdienen in korte
tijd. Leistra wijst op de Brabantse crimineel Ron Nygvist. Hij is eigenaar
van het Golden Glory-team, dat hij runt vanuit de gevangenis (daarover later
meer). Met onder andere K1-kampioen Sem Schilt onder contract. Toch
waarschuwt Leistra tegen generalisatie: “het
merendeel (van de vechtsporters,
red.) houdt zich verre van
misdaad en gruwt van de wijze waarop de sport in een kwaad daglicht wordt
gesteld” en hij geeft daarna nog voorbeelden van maatschappelijk
geslaagde ex-vechtsporters. Op zijn weblog geeft hij later een reactie op de verhitte
discussie, die losbarstte in de vechtsportwereld, na het verschijnen van zijn
artikel: “veel betrokkenen zeggen het
geschetste beeld te herkennen” en “de
officiële bonden doen naar eigen zeggen hun best ‘rotte appelen’ te
verwijderen”, maar “het royeren van
criminelen komt zelden voor”. Een probleem is, dat “geroyeerde leden eigen sportbonden beginnen” en een oplossing zou
kunnen zijn dat gekozen wordt voor het Franse model, “waarbij alleen leden van de officiële bond een zaal mogen huren en
les mogen geven”. Slaap gerust, Oom Agent zit er
bovenop… Justitie volgt de vechtsportwereld op de voet. Het
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van het Ministerie
van Justitie publiceerde in 2002 in haar “Justitiële verkenningen” een
verzameling onderzoeksartikelen, onder de titel: “Sport en criminaliteit”. In
het voorwoord van de publicatie wordt een duidelijke constatering geschetst:
“Met de toenemende verzakelijking van
de sport komen steeds meer zaken aan het licht die moeilijk anders dan
crimineel genoemd kunnen worden”. Er wordt gesproken over “subculturen, waar afwijkende
normensystemen floreren.” De Brusselse onderzoeker Marc Theeboom geeft aan, dat “vechtsporten met name bij jongeren een
grote en groeiende populariteit kennen in de Westerse wereld”. Theeboom
kent de verschillende associaties met vechtsporten: criminaliteit,
geweldpleging en agressie aan de ene kant, en de persoonlijkheidsvormende en
opvoedende werking aan de andere. Hij onderscheidt drie beoordelingskaders
(zienswijzen, uitgangspunten) voor vechtsporten: 1.
Traditioneel/holistisch: het accent ligt op de eenheid van
fysieke en spirituele aspecten (vechtkunsten). 2.
Utilitair: het oefenen van technieken voor
een echte confrontatie. 3.
Sportief: vechtsporten zijn onderdeel van
het brede spectrum van de sport, die in competitieverband worden beoefend en
waarbij technieken zijn gereguleerd. Voor NOC/NSF onderzocht Theeboom de effecten van
vechtsportbeoefening onder jongeren. Hij ondervroeg hierbij jonge sporters,
ouders en trainers. Hij concludeerde dat het beoefenen van vechtsport agressie
niet in de hand werkte, doordat de mentale weerbaarheid van jongeren
verbeterd wordt en er zo in conflictsituaties juist minder fysieke
confrontatie wordt gezocht. De jeugd gaat geen vechtsport beoefenen om beter
te kunnen vechten of zich beter te verdedigen. Jongeren ‘gaan op een
vechtsport’, omdat vriendjes en vriendinnetjes dat doen, of omdat ze
gestimuleerd worden door hun ouders. Net als bij alle andere sporten. Ouders
sturen hun kind trouwens wel naar een sportschool om zich te leren
verdedigen. Rolmodellen in de
vechtsport: opleiders en vedetten Een belangrijk effect van het beoefenen van vechtsport is
positief volgens onderzoeker Theeboom: jongeren kunnen zich beter redden in
conflictsituaties. Ze zijn meer mentaal weerbaar, meer zelfverzekerd en
proberen door assertief handelen de fysieke confrontatie juist te vermijden.
“Ik weet dat ik met een schouderworp
eenvoudig iemand kan vloeren. Daarom doe ik het niet”, zegt een 8-jarige
judoka. Een andere belangrijke conclusie is dat de trainer een belangrijke
rol vervult. Ze zijn bepalend voor de wijze waarop een jongere vechtsport
beleeft. Trainers zien dit feit ook in. Ze weten dat naast het doceren in
technieken van hen een pedagogische en opvoedende taak is weggelegd. Veel
hangt af van het vermogen om de juiste normen en waarden over te brengen. En
het belang van normen en waarden wordt het meest benadrukt in de traditionele
vechtsporten. Theeboom concludeert dan ook dat de Oosterse vechtsporten (die
zich deels richten op de ontwikkeling van het individu, met respect voor de
omgeving en eenheid van lichaam en geest) een duidelijke meerwaarde hebben
ten opzichte van de meer prestatiegerichte sporten. Het belang van het hebben van een trainer, die je meer kan bijbrengen dan slechts vechttechnieken werd onlangs mooi geëtaleerd in het jaarlijkse toernooi om de K1 World Grand Prix in het Tokyo Dome. De term ‘K1’ staat voor karate, kung fu en kickboksen en de sport is wereldwijd populair. Nederland is van oudsherre een sterk vechtsportland en ook in deze sport is het raak: 13 van de in totaliteit 16 gehouden K1-toernooien hadden Nederlandse eindoverwinnaars. De Nederlanders Remy Bonjasky en Badr Hari (komt uit voor Marokko) vochten om het K1-kampioenschap. Bonjasky leidde in de finalewedstrijd op punten. Volgens Bonjasky wierp Hari hem op de grond. De scheidsrechter legde de wedstrijd stil. Daarna kreeg Bonjasky liggend nog twee klappen en een schop tegen de zijkant van zijn hoofd te verwerken. Totally unsportsmanlike. Hari werd direct gediskwalificeerd, waarna
Bonjasky op de meest vervelende manier kampioen werd. Mogelijk hebben
trainers Hari voldoende ingewijd in het hebben van respect voor de
tegenstanders, in de ring was het niet te zien. Een slecht rolmodel voor
jonge vechtsporters, wat mij betreft. Leon Verdonschot keurt het gedrag van
Hari af en wist het in zijn column voor Sp!ts treffend te verwoorden: “Het
blijft een besmette sport, thai- en kickboksen, besmet door de bijsmaak van
penoze. Doodzonde, en juist daarom moet iedere uitwas die deze bijsmaak
bevestigt, hard worden aangepakt. Wat jij zaterdagavond liet zien degradeerde
een internationale topsport tot ordinair straatvechten. In de tweede rond
ging Bonjasky onderuit, zoals jij dat in de eerste ronde al was gegaan. Wat
volgde waren beelden die een interessante karakter- (of wellicht zelfs
cultuur-)studie van jou op kunnen leveren, maar met sportiviteit werkelijk
niets te maken hadden.” Capoeira en criminaliteit Het K1 komt uit Japan, waarbij respect voor de
tegenstander bijna het hoogste goed is. Maar niet alle vechtsporten zijn per
definitie voortgekomen uit een hang naar zelfontplooiing of het aanleren van
normen en waarden. Evaluna informeert (als infoteur) over de vechtsport
Capoeira en haar herkomst: “Capoeira is een martiale kunst, die ontstond
in de zwarte slavengemeenschappen in Brazilie en die door de overheid
uiteindelijk helemaal verboden werd”. De beoefenaars van deze
dans-vechtkunst gingen werken als bodyguards of doken onder in de
‘underground’. Evaluna vervolgt: “Veel capoeiristas, die vele
gevechtstechnieken beheersten en vol zelfvertrouwen waren, kwamen al snel in
de criminaliteit terecht, en met hen ook de capoeira zelf. In Rio de Janeiro
evolueerde capoeira tot uitsluitend een gevechtsvorm. Criminele groepen die
de bevolking terroriseerden zagen het licht. Ze gebruikten onder andere
stiletto’s en messen om de schade te vergroten die ze met hun
capoeirabewegingen toebrachten”. Een speciale politiemacht moest de macht van de
capoeiristas indammen. Daarnaast werd in 1892 een wet aangenomen die de
vechtkunst en alle bijbehorende handelingen verbood. Zo kon het uitvoeren van
een enkele beweging je al op drie maanden celstraf komen te staan. Later kon
je voor hetzelfde vergrijp zelfs het land worden uitgezet. In Rio de Janeiro
verloren beoefenaars langzaam terrein. In een ander deel van het land, Bahia,
had capoeira zich na de slaventijd meer gevormd als een vorm van “culturele
expressie met een mix van spelelementen, muziek, dans en gevecht”. In
Bahia ging Manuel dos Reis Machado (“Mestre Bimba”) aan de slag met capoeira.
Hij introceerde elementen uit de vechtkunst ‘batuque’ en ontwikkelde een
nieuwe capoeira-stijl: “de regionale stijl”. Deze was in vergelijking met de
aloude “Angola-stijl” volgens Evaluna “sportiever en minder venijnig en
werd ook gebruikt om de fysische en psychische gezondheid te verbeteren”.
Deze “Mestre Bimba” overtuigde uiteindelijk de overheid om het verbod op
capoeira op te heffen. Evaluna weet dat “Bimba in 1932 de eerste
capoeira-school inwijdde…” en dat “…enkele jaren later erkende de
Braziliaanse overheid capoeira als een nationale sport.” De andere
belangrijke mythische voorouder van de sport is Mestre Pastinha, die in 1941
een school voor capoeira Angola startte. Capoeira werd een wereldwijde sport. Evaluna beschrijft
kenmerken in “enkele typische elementen, die vaak terugkomen”: 1.
Bewegingen:
sommige bewegingen
komen vooruit het bestaan als slaaf. Het vallen op de grond, als
vluchtbeweging komt voor, maar ook kopbewegingen, zowel defensief als offensief,
als verwijzing naar technieken die toe te passen zijn met geketende handen. 2.
Tactiek: capoeira is “vol van
scherpzinningheid, truken en onvoorspelbare bewegingen”. Tactieken, die
je als slaaf zonder wapens zeker van pas zouden komen. 3.
Roda: een opstelling in de vorm van een
halve maan, waarin capoeira beoefend wordt. Mensen stellen zich op rond de
halve maan en zingen en spelen op de berimbau-drum. Het ritme en de inhoud
van de liederen bepaalt het tempo en het karakter van de bewegingen. 4.
Bijnamen: capoeiristas hebben net als bij
andere sporten volgens Evaluna “een of meerdere bijnamen”. De bijnamen
komen uit de ondergrondse periode voort. De politie kon de capoeiristas
moeilijk localiseren omdat ze enkel bekend waren bij hun bijnamen. Het verhaal van capoeira overstijgt natuurlijk de wereld van de sport. Capoeira is een letterlijke vertaling van de ‘struggle for life’ in diverse bewegingen. Dat hedendaagse vechtsporten voor jongeren ook best een ‘sportoverstijgend’ karakter mee mogen krijgen weet Edwin Baas van Baas Sports. Jongeren van vandaag, in dit land, zijn natuurlijk niet direct bezig met een ‘struggle for life’. Toch kunnen zij ook best een socialiserend kader gebruiken. Een kader van respect, discipline en zelfvertrouwen. Vechten voor zelfontplooiing Baas gaf hen dit kader. Hij trainde jongeren die in
aanraking waren gekomen met politie om het positieve uit zichzelf te halen en
gaf lessen aan jonge asielzoekers en hij gaf weerbaarheidstrainingen. Hij
richt zich in zijn trainingen naast fysieke en technische aspecten op zaken
als weerbaarheid, zelfvertrouwen, discipline en respect. Baas zegt dat
training onder goede begeleiding een grote bijdrage kan leveren aan
persoonlijke vorming en het voorkomen van agressief gedrag. Een opvoedkundige
waarde dus, maar vechtsporten oefenen tegelijkertijd een waardevolle
aantrekkingskracht uit op de doelgroep ‘moeilijke jongeren’. Waardevol, omdat
volgens Baas “je deze jongeren niet bereikt met een cursus pottenbakken,
wel met een populaire vechtsport”. Baas onderschrijft nogmaals de
belangrijke rol van de docent: “De rol van de leraar met name bij de
begeleiding van jeugdige vechtsporters is essentieel”. Op de site van Baassports.com worden de resultaten uit een onderzoek van Ray Staring en Patrick de Groot aangehaald, uitgevoerd in het kader van de opleiding tot kickboksleraar aan de SKMO (Stichting Kickboksen en Mixed Martial Arts Opleidingen). Beide heren ondervroegen een aantal ‘experts op het gebied van kickboksen en opvoeden’ naar hun ervaringen, met als resultaten: 1.
Er
heerst angst bij de experts als het gaat om de medische consequenties van het
beoefenen van ‘harde’ full-contact vechtsporten in wedstrijdverband
door jonge kinderen. Vechtsporten zijn gezond om te beoefenen en onder
begeleiding van een kundig leraar in kickboksen is training geen probleem. 2.
Kickboksen
is als sport geschikt om de motoriek, het zelfvertrouwen,
(oog-hand)coördinatie en conditie te trainen. 3.
Kickboksen
kent voldoende positieve, vormende eigenschappen, zoals het leren omgaan met
agressie en respect, groepsprocessen en het stimuleren van zelfvertrouwen en
zelfdiscipline. 4.
Ondanks
het pedagogisch verantwoorde ‘leren omgaan met winnen en verliezen’ is
kickboksen als wedstrijdsport ook niet geschikt voor de allerjongsten, omdat
zij nog niet voldoende onderscheid kunnen maken tussen spel en realiteit. 5.
Onder
begeleiding van de juiste leraar werkt het beoefenen van kickboksen agressie
en het afglijden in een crimineel circuit tegen. Dit omdat de sport juist
discipline en controle over emoties vraagt. 6.
De
reguliere school is de beste plek om de jeugd in aanraking te brengen met het
kickboksen. Vinden kinderen de sport aantrekkelijk, dan is de sportschool de
meest aangewezen plaats voor verdere training. 7.
Er
bestaat een sterke wens naar verdere regulering door de overheid gericht op
de sportscholen, leraren, opleidingen, wedstrijdregels, bonden en
promotors. Daarnaast heeft de
overheid een algemene taak om de jeugd aan het sporten te krijgen. Jeugd en kickboksen kunnen dus goed samen gaan. Dat moet
kunnen. Dat dacht ook eerder genoemde Ron Nyqvist, die vanuit de gevangenis
onlangs de 14-jarige Sylvana Pruijmboom contracteerde voor zijn Golden
Glory-team. In een interview met de krant Metro vertelde Sylvana dat het
telefoontje van Nyqvist als een totale verrassing kwam. Ze is dan ook het
jongste meisje met een profcontract ooit. De jongste jongen met een
profcontract staat overigens ook onder contract bij Golden Glory. Hansie
Veraart is 9 jaar oud. Sylvana Pruijmboom mag pas over 2 jaar (als ze 16 is)
geld verdienen met haar sport. Tot die tijd zal ze haar trainingen
intensiveren en professionaliseren. En 4 keer per jaar zal ze op een groot
gala vechten. Sylvana is een supertalent en ze heeft ook zo haar gedachten
over de veiligheid van kinderen tijdens het kickboksen. Op de vraag of ze nooit bang is geweest voor haar eigen
veiligheid antwoordt ze: “Nee. Kickboksen is ook helemaal niet zo
gevaarlijk. Ons hoofd is beschermd, we hebben een bitje in, een tok aan en
scheenbeschermers. Bovendien laten de trainers ons meteen stoppen, wanneer ze
zien dat we teveel klappen krijgen. Zo veel kan er dus niet gebeuren.”
Zelf kickbokst ze zelfs zonder hoofdbescherming, voor een beter zicht.
Terwijl dit toch gebruikelijk is. Kortom: een jonge kampioene die zich
helemaal veilig voelt in de ring. Hoofdtrainer Sjef Weber is tevreden over
zijn pupil: “Sylvana heeft een perfecte techniek en haar stoot- en
trapcombinaties zijn ontzettend snel. Met Sylvana heb ik potentieel goud in
handen.” De coach traint haar nu al op het niveau van een 18-jarige. Vechtsport maakt WEL agressief Tot zo ver niets
dan lof over vechtsporten en haar deelnemers. Goed, individuele gevallen gaan
wel eens de fout in en de vechtsportwereld oefent nu eenmaal een behoorlijk
aantrekkingskracht uit op de onderwereld. Maar de vechtsporten bleken –mits
gedegen onderwezen- een positieve invloed te hebben op de jongeren die eraan
deelnemen. Of toch niet? Jongens die tussen de 11 en 16
jaar oud zijn en aan vechtsport doen, zijn agressiever dan hun
leeftijdsgenoten, bleek uit Noors longitudinaal onderzoek uitgevoerd door
Inger Endresen en Dan Olweus van de Universiteit van Bergen (Pedagogiek.net).
Ze ondervroegen 500 jongens tussen de 11 en 16 jaar, afkomstig van 37
verschillende scholen in Bergen. In 2 jaar werd de groep gevolgd (verdeeld
over 4 groepen) in hoeverre er sprake was van antisociaal gedrag. De
verdeling in groepen werd gedaan op basis van het ja of nee beoefenen van een
vecht- of krachtsport en de duur van het beoefenen van een vecht- of
krachtsport. Annelies With schetst de resultaten van het onderzoek: “De
jongens, die gedurende het onderzoek aan kracht- of vechtsport deden, bleken
in toenemende mate betrokken te zijn bij vechtpartijen. Ook gebruikten ze
vaker wapens, spijbelden ze vaker en stalen en vernielden ze meer. De toename
van het antisociale gedrag deed zich met name voor bij jongens die aan
boksen, worstelen of gewichtsheffen deden Bij karate en judo waren deze
negatieve ontwikkelingen minder duidelijk. Volgens de onderzoekers zijn het
de specifieke activiteiten, die ontwikkeling van fysieke kracht en de
hardheid en machocultuur die met sporten gepaard gaat, die ervoor zorgen dat
het asociale gedrag wordt aangeleerd, danwel versterkt.” Hoogleraar
jeugdbescherming (aan de VU, A’dam) Wim Slot neemt de resultaten serieus zegt
With. Tegen Trouw vertelde hij: “Vaak denken we dat het agressieve jongens
zijn die gaan vechtsporten maar hier zijn ook jongens ondervraagd die eerst
niet sporten en (…) minder agressief waren.” Ook hoogleraar pedagogiek en
didactiek Annelies Knoppers is overtuigd van de samenhang tussen het
beoefenen van vechtsport en agressiviteit. Tegen Trouw: “Uit veel
internationale onderzoeken blijkt dat jongemannen die vechtsporten doen of
sporten als American Football gewelddadiger zijn. Sporters nemen ook
positieve kanten van de sport over zoals teambuilding, dus het is logisch dat
zij ook negatieve vaardigheden oppikken die de sport hen leert. Het
belangrijkste is hoe de trainer met de sport omgaat. Die moet respect,
waarden en normen overdragen.” Bert Kops sr. is meer gematigd in zijn
mening. Tot zijn 54ste was hij wedstrijdworstelaar en hij runt met
zijn zoon sportcentrum Kops in Amsterdam, waar menig kampioen traint (Trouw).
Hij geeft aan dat jongeren niet agressiever worden van vechtsporten. Je
krijgt volgens hem “juist meer zelfvertrouwen, waardoor je buiten de
sportschool juist rustiger, krijgt meer discipline, lef en
doorzettingsvermogen”. Toch zullen er altijd probleemgevallen blijven:
“Die jongens denken: ik kan nu goed vechten, dus ik laat me door niemand nog
wat zeggen. Dat zit in het karakter. Een goede coach stuurt dat bij. Maar na
meer dan vijftig jaar sporten denk ik: bij sommige types helpt dat niet. Bij
hen kun je maar één ding doen: de les weigeren.” Een verhitte discussie van voor-
en tegenstanders…
Andere ervaringsdeskundigen
bestrijden de conclusies van de Noren dat ‘vechtsport agressief zou maken’
nog sterker. Arnold VanderLyde, driemaal Olympisch kampioen boksen, zegt
tegen Trouw: “Ik was zelf erg agressief op mijn 15de. Bij mijn
2e bokstraining stond ik al tegen een kampioen. Het was toucheren
en niet hard slaan. Toch wilde ik me bewijzen en gaf hem een harde rechtse.
Dat heb ik geweten. Ik lag ’s avonds met hoofdpijn en een dikke lip in bed.
Toen ging ik nadenken: ‘Arnold, dat wordt niets zo.’ Ik leerde denken vanuit
beheersing, vanuit defensie. Het is belangrijk dat je zoiets van een
trainer meekrijgt. In sommige sportscholen roepen ze alleen: ‘Ram hem op z’n
bekkie!’ Daar heerst een machocultuur. Maar het gaat juist om de
levensfilosofie.” Thom Harinck introduceerde thai- en kickboksen in
Nederland en trainde topvechters. Tegen Trouw: “Ik geloof de conclusies
(van de Noren, red.) niet. Ik geef nu 33 jaar les en mijn ervaringen zijn
tegenovergesteld.: jongens en meisjes leren juist discipline, sportiviteit en
respect voor anderen. Als ze lessen blijven volgen, verandert hun gedrag. Ze
leren de gevaren van vechttechnieken, zodat ze juist minder geneigd zijn op
straat te vechten. Ik heb één keer meegemaakt dat een schoolhoofd me belde
over een pupil. ‘Hij terroriseert anderen en dat leert u hem’, zei hij. Die
jongen heb ik in de ring gezet die groter en sterker is. Zo leerde hij dat
hij niet zo flink was als hij dacht. ‘Snap je nou hoe het is als iemand die
beter kan vechten je pijn doet?’, hebben we achteraf gezegd. Hij heeft niet
meer op straat gevochten.” Jan Schildkamp is eigenaar van een sportschool
in Rotterdam en initiator van het project ‘Opboksen’. Hierin worden
‘moeilijke jongeren’ opgenomen om ze op het rechte pad te krijgen: “Er
kwamen hier kinderen die gepest werden op school. Door het boksen zijn ze
niet gaan slaan, maar kregen ze een andere uitstraling, waardoor ze niet meer
gepest zijn.” Sociaal- en sportpsycholoog Jan
Sleijfer volgde de hele vechtsport-discussie en alle bijbehorende commotie
vanaf het verschijnen van de eerste resultaten uit Noorwegen uit 2005. Hij
wijst ons op een beperking van het onderzoeksdesign dat de Noorse
onderzoekers kozen. De gemaakte vergelijking tussen de verschillende groepen
is een vorm van cross-sectioneel onderzoeksdesign. Resultaten verkregen met
dit design laten enkel conclusies over samenhang toe (bijvoorbeeld tussen het
beoefenen van vechtsport en de mate van agressie), maar kunnen geen
oorzakelijke verbanden (de achterliggende oorzaken) aantonen. Sleijfer geeft
aan, dat: “Een relatie tussen sport en antisociaal gedrag kan namelijk ook
in de omgekeerde richting wijzen: bepaalde sporten hebben een bepaalde
aantrekkingskracht op jongens met reeds een neiging tot agressief gedrag.”
Ook de generaliseerbaarheid van het onderzoek kan een probleem zijn (gelden
resultaten ook voor jongeren in andere steden en landen, als je het onderzoek
opnieuw zou uitvoeren). Dit verschijnsel wordt de externe validiteit van het
onderzoek genoemd. Daar komt bij dat de resultaten verkregen zijn met behulp
van het invullen van enquêtes. Maar in hoeverre is wat iemand opschrijft ook
echt waar? Het kan ook zijn dat men slechts een tijdelijk effect van het
beoefenen van een sport meet. Ook de puberteitsfase kan een sterke invloed
hebben op de resultaten en effecten of deze worden beïnvloed door de
omgeving. Sleijfer haalt een onderzoek aan van Trulson uit 1986, waarin werd
aangetoond, dat de traditioneel gedoceerde Koreaanse vechtsport tae kwon do
kan helpen bij het rehabiliteren van jonge delinquenten. Een conclusie die in
feite wordt onderschreven door de Noren, want de traditionele waarden die
gedoceerd worden bij judo en tae kwon do zorgden mogelijk ook daar voor een
aangetoonde vermindere mate van agressie bij de beoefenaars. Een remedie tegen geweld:
zelfbeheersing uit zelfvertrouwen
De Oosterse, traditionele
vechtsporten lijken dus het best de juiste normen en waarden te kunnen
overbrengen. Sophie Denis schreef in het online magazine Ode over de herkomst
van de Oosterse vechtsporten (vooral uit Japan) en het onterechte negatieve
stempel dat aan de sporten kleeft. Met dat stempel maakt ze korte metten: “Het
beoefenen van vechtsport is niet een oefening in geweld, maar een oefening in
zelfbeheersing. In luisteren naar de ander. Het is een training van lichaam
en geest, waardoor je uitstekend leert omgaan met het geweld in jezelf en in
je omgeving.” Denis ziet vechtsporten juist als een remedie tegen geweld:
“Het voorbeeld van de aikido is wat dat betreft heel overtuigend. Aikido
betekent ‘weg (do) van eenheid (ai) met de levensadem (ki)’. De grondlegger
van deze vechtsport (Ueshiba Morihei) … startte aan het begin van de 20e
eeuw een nieuwe school waarbij perfectionering werd nagestreefd en die was
gebaseerd op de kennis van lichaam en geest. Een filosofie van de
geweldloosheid, die het gevecht van man tegen man, de confrontatie en
agressie afwees”. Aikido richt zich daarbij op beweging. En dan wel in
oneindige cirkel- en spiraalvormen. Het gaat om ‘zuivere gebaren’ op ‘het juiste
moment’. Denis: “De ander wordt niet gezien als een tegenstander, maar als
een partner. Het duel is niet een gevecht of een wedstrijd, maar een
uitwisseling. Je probeert je partner niet te verslaan maar te immobiliseren.
Alle bewegingen van aikido zijn erop gericht lichamelijke en geestelijke
geremdheid te vermijden, die in het dagelijks leven een bron is van stress en
agressiviteit en geweld opwekt, of die nu wordt geuit of onderdrukt”. Een inspiratiebron in de
vechtsportwereld is Hélio Gracie (geb: 1 okt 1913). Zijn familie kwam uit
Ierland en leerde in Brazilie de beginselen van het Jiu-Jitsu van de
legendarische Japanner ‘Count Koma’. Toen Hélio 16 jaar oud was nam hij het
lesgeven in een training Jiu-Jitsu over van zijn oudere broer. Na een succesvolle
les mocht Hélio aan de slag in de sportschool van zijn broer. Onverwacht,
want de jonge Hélio was rank als een bonenstaak en was al buiten adem en
duizelig na het beklimmen van een trap. Maar het zwarte schaap leerde snel.
Hélio verbeterde de hefboomwerking van de Jiu-Jitsu-grepen, vanwege zijn
kleine gestalte. Zo creëerde hij het Braziliaans Jiu-Jitsu, waarmee een
kleinere man een grote man de baas kan. Hij en zijn nazaten maakten deze
technieken wereldberoemd door overal vechters van verschillende disciplines
uit te dagen en te winnen. De Gracie-familienaam werd voorgoed gevestigd, als
initiatoren van de Ultimate Fighting Challenges (verschillende stijlen tegen
elkaar, weinig regels). Een memorabele wedstrijd van Hélio Gracie is een
gevecht tegen zijn student Valdemar Santana in 1955 (de match duurde 3 uur 40
minuten en Hélio verloor op oudere leeftijd). Het langste gevecht ooit werd
overigens gehouden op de Olympische Spelen van 1912: een worstelwedstrijd van
maar liefst 11 uur en 40 minuten. Een andere beroemde wedstrijd vocht Hélio
ook in ’55 tegen de Japanse wereldkampioen Jiu-Jitsu de heer Kimura, waarin
Kimura in een arm-lock de arm van Gracie breekt, die weigert af te tikken.
Kimura was 80 pond zwaarder dan Gracie. Het einde van de wedstrijd, in de
woorden van Kimura: “I thought he would surrender immediately. But Helio would not tap the mat. I had no choice but
keep on twisting the arm. The stadium became quiet. The bone of his arm came
close to the breaking point. Finally, the sound of bone breaking echoed
throughout the stadium. Helio still did not surrender. His left arm was
allready powerless. Under this rule, I had no choice but to twist the arm
again. There was plenty of time left. I twisted the left arm again. Another
bone was broken. Helio still did not tap. When I tried to twist the arm once
more, a white towel was thrown in. I won by TKO.” (Bron: Wikipedia). De Gracie-familie: Still going
strong…
De ‘Brazilian Jiu-Jitsu’-school
in Rotterdam vertelt op haar site over de meer recente escapades van de
Gracie’s: “Begin jaren ’90 werd de vechtsportwereld wakker geschud door de
opkomst van de zgn. ‘kooigevechten’, waarbij geen of nauwelijks regels
gelden. De Gracies, die hun vechtstijl als de effectiefste ter wereld
beschouwen, konden de uitnodigingen om hun technieken in de praktijk te
testen moeilijk afslaan en namen deel aan de verschillende internationale
toernooien. De regels werden weggelaten, zodat niemand kon zeggen, ‘het
gevecht was niet volgens onze regels’. Helio Gracie is hier te oud voor
geworden. Royce Gracie weegt 78 kilo en won met gemak van verscheidene
tegenstanders. Hij schreef bijvoorbeeld de in de V.S. megapopulaire ‘Ultimate
Fighting Challenge’ de eerste drie keer op zijn naam. In de ‘Ultimate
Fighting Challenge’ nemen vechters van verschillend pluimage het tegen elkaar
op zonder dat regels in de weg raken. Zijn oudere broer Rickson Gracie is al
16 jaar ongeslagen in meer dan 500 gevechten. Ook neven Renzo en Ralph winnen
veel wedstrijden. In Rotterdam weet men waarom: “De specialiteit van het
Gracie Jiu-Jitsu is het grondgevecht (…en choke-technieken, red.) De
realiteit is dat 80% van de realistische gevechten eindigen op de grond door
een worp of een val.” De Gracie’s werden wereldberoemd en maakten hun
familienaam tot een sterk merk en hun techniek tot een commerciële industrie.
‘Godfather’ Hélio Gracie werd door het GRACIE-Magazine op 92-jarige leeftijd
geinterviewd over zijn leven. Het Magazine duidt Gracie op hoge leeftijd als
een filosoof, een simpele man, in de goede betekenis. Gracie stelt zich bescheiden op,
met de nodige zelfkritiek. “Ik ben altijd een ‘skinny guy’ geweest, een
nobody”. Hij denkt niet in
grijstinten: “There’s no halfway: it’s either yes or no”. Over de door
hem geïntroduceerde technieken: “Any cripple is able to learn from the
moves i created”. Beheersing en conflict waren sleutelwoorden in het
leven van Gracie. Al op jonge leeftijd leerde hij twee waardevolle lessen. De
eerste les leerde hij toen hij opkwam voor een vriend en een totale onbekende
vanuit het niets een klap gaf. En er met zijn kleine gestalte 20 terug kreeg.
Les geleerd: vecht nooit zonder ‘echte, eerlijke’ reden. De tweede les kreeg
hij toen hij in een bus zat en een man hem aanstaarde. Gracie had een zeer
opvliegend karakter en daagde de man uit tot een gevecht. Deze negeerde hem
compleet en de totale minachting die daar uit bleek was een klap in het
gezicht van Gracie. Snel daarna maakte hij kennis met Jiu-Jitsu en hij zou
nooit meer dezelfde zijn. Hij leerde zich beheersen en liet het nastreven van
wraak en vechten uit ijdelheid voor wat het was. Alleen de ijdelheid van het
demonstreren van de superioriteit van de eigen techniek bleef overeind. En
terecht. Want het leren en het meten van krachten zijn het hoogste goed.
Gracie Magazine weet op de valreep van het interview de favoriete ‘move’ van
Gracie nog los te peuteren aan het brein van de meester. Het blijkt de
‘sleeper’ te zijn, “because against it there’s no tough guy”. Gracie
zegt dat hij één gevecht met een arm-lock wist te beeindigen, maar alle
anderen met ‘de choke’. Omdat hij dunner was dan zijn tegenstanders , vocht
hij altijd van onderaf, vanaf de grond, vanuit de verdediging. Vanaf daar zette hij ‘de choke’ in: “To me, the
greatest move is the choke-in-guard, for there is no man who can resist it,
they all fall asleep. Or give up.”
TobSport-conclusie: Om te zorgen, dat de jeugd opgeleid wordt door gekwalificeerde trainers moet Nederland het Franse model volgen. Alleen leden van officiële bonden mogen zalen huren en lesgeven. Opleiders hebben naast een taak om de sport te onderwijzen een pedagogische taak en een verantwoordelijkheid om een gedegen begeleiding te bieden in gedrag, binnen en buiten de sportschool en met het leren omgaan met emoties. Jongeren moet van meet af aan leren omgaan met agressie, conflictsituaties, groepsprocessen en winst/verlies-situaties. Ze moeten ook direct kennis maken en begeleid worden bij het begrijpen van begrippen als sportsmanship, respect in het algemeen en voor de tegenstander en het besef van de eigen verantwoordelijkheid, kortom: een gedegen begeleiding krijgen bij het ‘volwassen’ worden in combinatie met het aanleren van technieken die voor een bepaalde machtspositie zorgen ten opzichte van de doorsnee burger . Ik wens daarom iedere nieuwe vechtsport-student een wijze leraar toe. En heel veel plezier. Vechtsporten maken niet agressief. Maar ze trekken wel personen aan die van zichzelf agressief zijn. Bedenk je daarom goed wie je als vrienden en voorbeelden wilt. Bronnen: Elsevier,
Gerlof Leistra – “Misdaad: Hand- en spandiensten”, 5 sept 2007. Elsevier,
Gerlof Leistra – “Onderwereld: De goeden en de kwaden”, 26 sept 2007. WODC,
Theeboom et al – “Sport en criminaliteit”. Abstract
“Jeugd en vechtsporten” door Marc Theeboom. Onderzoek: “Vechtsport voorkomt
agressie” via
Jvdhoofdakker.nl, 2001. Sp!ts,
Leon Verdonschot – “Een lied voor Badr”, 8 dec 2008. Evaluna.infoteur.nl
– “Capoeira: groeiend succes en hedendaagse kenmerken” Edwin Baas
op Baassports.com Metro,
Marieke van der Voort – “Kickboksen is helemaal niet zo gevaarlijk”, 11 dec
2008. Trouw –
“Vechtsporten maken niet agressiever”, 2008. Nl.odemagazine.com,
Sophie Denis – “Vechten zonder agressie” . Pedagogiek.net,
Annelies With – “Onderzoekers waarschuwen voor gevolgen van vechtsport”, 21
jun 2006. Lichamelijke
Opvoeding, Jan Sleijfer – “Vechtsport maakt jongens wel/niet agressief”. 14
dec 2005. Wikipedia – “Gracie Jiu-Jitsu”. BjjRotterdam.nl
– “Gracie Jiu-Jitsu”. Graciemag.com, Raphael Noguiera – “Helio
Gracie welcomes GRACIE Magazine”. Reageer
op dit artikel in het forum
|
|