Doping in de sportwereld (deel 1)

Een einde aan de handhavingsdiscussie

 

Door TobSport redactieteam voor TobSport.nl

Gepost en up-gedate op 04-03-2010. Geschreven: 27-07-2009.

 

 

 

Beste topsporter,

 

Wanneer je in de verleiding komt tot het nemen van een verboden stimulerend middel: denk dan even aan de Canadese sprinter Ben Johnson…

 

Hij werd door de wereld uitgekotst, kort na zijn finest-moment, na het gebruik van steroďden op de Olympische Spelen van 1988. Hij maakte zijn come-back, maar stootte zich onherroepelijk aan dezelfde doping-steen…

 

Daarna woonde hij gedurende de rest van de jaren ’90 in de kelder van zijn moeder. Hij las er strips en keek naar Roadrunner. En dat was het. Hij betaalde de huur door zijn Ferrari af te geven.”

 

 

In dit dopingartikel:

 

·          Een discussie over doping vanuit een ethische en filosofische invalshoek

·          Problemen bij het vaststellen van dopingbeleid en handhaving

·          Ben Johnson beledigde de wereld twee keer

·          Bernard Kohl vs. Bradley Wiggins en Christian VandeVelde

·          Gehandicapten met nep-benen vestigen records in het hoogspringen

·          Een ongewenste technologische stimulans: het zwempak

·          Een TobSport-conclusie: Wat te doen met doping?

 

 

Zie ook: Deel 2: een overzicht, doping in de sport: verleden, heden en toekomst.

 

 

Inleiding: Doping, het publiek en de media

 

 

Dopinggebruik is in deze tijd niet meer weg te denken uit de sportwereld. Sla een lukrake sportkatern open en de verhalen over dopingzondaars en hun motivatie voor het gebruik of hun tenenkrommende ontkenning daarvan stromen je tegemoet. Tegenwoordig dienen we het begrip ‘doping’ te betrekken op zowel medische als technologische toepassingen, leren we uit de krantenberichten. Een zwempak van een materiaal dat voor extra drijfvermogen zorgt staat net zo goed garant voor een oneerlijke competitie als het gebruik van een gevaarlijke prestatiebevorderende stof die ervoor zorgt, dat je hart het op elk moment kan begeven.

 

Maar die media-aandacht voor stimulerende middelen, die wij tegenwoordig zo gewend zijn is er niet altijd geweest. In het begin van de vorige eeuw zagen we de atleet als een supergezonde Übermensch, met een bovenmatige aanleg en trainingsinzet. In deze tijd worden carričres gebroken en worden levens verwoest, zonder enige vorm van scrupules door het journaille en zonder degelijke belichting van de drijfveren van het individu. Sporters die ver boven de concurrentie uitsteken zijn per definitie verdacht. Dit door de vele verhalen over dopinggebruik bij collegae, gecontroleerd met methoden die nog veel te wensen overlaten. Sportkaternen moeten gevuld worden en daarom is iedere verdachtmaking van een bekende sporter tegenwoordig de vrijbrief voor een mediahetze.

 

Voor een feitelijk overzicht van dopinggebruik leest u ook artikel 2 van deze serie over dopinggebruik door topsporters.

 

Dit eerste artikel over dopinggebruik door topsporters is opgedeeld in 2 discussiepunten of invalshoeken. Waarover geen verwarring of discussie mag bestaan: binnen onze generatie vallen de eerste sporters in de geschiedenis, die op basis van hun gekozen methoden van voorbereiding of gebruikte attributen tot de status van crimineel worden verheven binnen de maatschappij. Van Hero-to-Zero in-an-instant.

 

Tot aan de jaren ’70 van de vorige eeuw wisten we niet beter of iedere sporter trainde zich suf en behaalde alleen daardoor prachtige prestaties. Alle respect voor onze helden, die zich in het zweet hadden gewerkt om de top te bereiken. De term ‘doping’ was ons onbekend en als we al aan stimulerende middelen dachten, dan ging dat niet verder dan het beeld van de sporter die een goedbelegde boterham met pindakaas at voor extra energie. Daarom werd er ook niet of nauwelijks gecontroleerd op de wijze waarop topsporters zich voorbereidden op hun wedstrijden. Er was geen zwarte lijst met verboden middelen.

 

 

Dopinggebruik kent een schimmige geschiedenis…

 

 

Maar halverwege de jaren ‘80 dienden zich verhalen aan in de media van de onsportievelingen, die op slinkse wijze succes hadden weten te behalen. Recht onder onze ogen. Door stiekem middelen te nemen die de lichaamsfuncties stimuleren. Oost-Duitse praktijken, met ongezonde middelen. Vrouwen met fikse baardgroei en experimenten met medicijnen. Toegediend binnen sportopleidingen met een ijzeren discipline en overgave, waarbij medici zich bogen over het verbeteren van artificiële stimulerende middelen voor het lichaam. Dit alles in het grootste geheim.

 

Of middelen verboden of schadelijk waren deed minder ter zake dan de mate waarin ze te detecteren waren voor de buitenwereld. Er gingen wilde verhalen rond. Eerst tussen de atleten onderling, later door voorzichtige berichtjes in de media. Vrouwen met mannelijke kenmerken door overmatig hormoongebruik. Gezonde mensen geveld door een onverwachte hartstilstand. Een ongezond beleid, gestimuleerd door een politiek regime, dat met succesvolle prestaties in de sport haar ideologie tracht te promoten.

 

Geruchten, want bewijzen waren niet voorhanden. Later werden (bijvoorbeeld de Oost-Duitse) sporters alsnog aan de schandpaal genageld. Dopingautoriteiten in deze tijd laten niet na de nieuwste technieken in te zetten om alsnog atleten uit het verleden te betrappen. De volledige geschiedenis moet nog geschreven worden of zal nooit in zijn geheel aan het licht komen. Daarnaast werden stimulerende technieken natuurlijk verbeterd door het voortschrijdend inzicht in de wetenschap: met ook betere trainingsmethoden en sportattributen op de markt als gevolg. Zoals de klapschaats, die vrij snel door iedere topschaatser werd geadopteerd en een wezenlijke verbetering van records teweegbracht.

 

Maar waren al deze ‘verbeteringen’ wel verbeteringen?

 

Er begon iets te dagen.

 

Sporters zelf hadden al lang collega’s in het oog, die vreemd gedrag vertoonden of uitzonderlijke prestaties aan de dag wisten te leggen. In stilte slikte men de oneerlijke concurrentie. Er werd vrijwel niet gecontroleerd en niet alle (schadelijke maar prestatieverhogende) methoden waren verboden. Het wachten was op een concreet geval van aantoonbaar dopinggebruik, zodat ook het grote publiek wakker zou worden.

 

Het wachten was op de eerste sloeber, die als symbool zou fungeren van de aanstaande era-of-the-war-on-dope-in-sports in de jaren ’90, die voortduurt tot in onze tegenwoordige tijd. Als een icoon van oneerlijkheid.

 

En toen diende die man zich aan. Het nieuws sloeg in als een bom. Een sporter, met de aandacht van de hele wereld op zich gevestigd, brak de ban in de media en deed daarmee zichzelf voor lange tijd in de ban. Dopinggebruik werd een praatje rond de koffieautomaat over de hele wereld.

 

 

Ben Johnson gebruikte anabole steroďden

 

 

De atleet Ben Johnson uit Canada was toch wel de man, die via de media de massa aan het denken zette en hen wakker maakte als het gaat om dopinggebruik in professionele sporten.

 

In 1988 liep hij de finale van de 100-meter sprint op de Olympische Spelen van Seoul, waarbij hij de favorietenrol deelde met de legendarische Olympiër Carl Lewis (9 gouden medailles). Een duel waar de wereld naar uitkeek, omdat Johnson de onaantastbare Lewis eerder dat jaar had weten te verslaan tijdens de wereldkampioenschappen, waarbij hij tevens een wereldrecord vestigde.

 

Tijdgenoten herinneren zich de beelden van Johnson, aan de start in Seoul, met een opgepompt lichaam, terwijl hij zichzelf richting een nieuw wereldrecord lanceerde.

 

Hij realiseerde de toen ondenkbare tijd, van 9,79 seconden en eindigde voor Lewis.

 

Later zou blijken dat hij de prestatie leverde onder invloed van Stanozolol, een vorm van anabole steroďden, die de spieren versterken. De wereld voelde zich bekocht door Johnson en kijkers moesten voor altijd leven met het feit, dat de strijd die zij gezien hadden op oneerlijke wijze was verlopen. En dat het eindresultaat dus niets waard was. Lewis kwam trouwens ook niet onder insinuaties van dopinggebruik weg. Hij werd echter niet geschorst, omdat concentraties van gevonden verboden stoffen in zijn bloed te laag waren om hem te veroordelen.

 

 

Dopinggebruik duikt op aan het begin van de jaren ’90…

 

 

Wielrenners begonnen EPO te gebruiken vanaf het wielerseizoen ’89-‘90 zegt ex-renner Steven Rooks. En het wielrennen liep voorop als duursport bij uitstek. Front-runners in het wielrennen waren de Italianen en in mindere mate de Spanjaarden. Die een opvallend aantal overwinningen lieten optekenen. Toch zou het nog even duren voordat in deze sport de eerste gevallen in de media opdoken. Maar ook bij voorgaande generaties renners was bekend dat stimulerende middelen werden gebruikt in het peloton. Ze waren echter nog niet verboden.

 

Het effect van EPO-gebruik vanaf begin jaren ’90 van de vorige eeuw op de sport was duidelijk volgens Rooks. Tegen het AD: “Ik denk dat de Italianen er in 1990 mee begonnen en opeens werd je aan alle kanten voorbij gereden. Het ene jaar was je vijfde in Luik-Bastenaken-Luik en een jaar later kansloos 27ste.” Maar het gebruik was niet zonder gevaren: “Ik was ook wel wat bang. Je wist dat je bloed er dikker van kon worden, dat er klonters konden ontstaan. Ik heb altijd beseft: ik wil na het wielrennen óók nog een leven hebben.’’

 

In de periode daarna volgden de gevallen van betrapte dopingzondaars zich in rap tempo op in de wielerwereld en daarbuiten. Nog meer atleten werden gepakt, duursporters, krachtsporters en later zelfs onze bekendste en meest beminde balsporters uit het Nederlands Elftal. Nationale knuffelbeer Frank de Boer testte positief op de stof Nandrolon en werd gevolgd door mede-internationals Edgar Davids en Jaap Stam. Nandrolon is ook een anabole steroďde. Alle spelers ontkenden misbruik van verboden stoffen.

 

Men verwees naar oogdruppels (Davids) en voedingssupplementen. In die tijd schrijft Knack.be dat Nederlandse voedingssupplementen voor zo’n 25% bestaan uit dopinggerelateerde stoffen, die op de etiketten niet weer te vinden zijn. De Nederlandse internationals werden gelukkig voor hen opgevolgd door buitenlandse collegae, waarbij dezelfde stoffen in het bloed werden geconstateerd. Het leek toch echt te gaan om stoffen in voedingssupplementen. Maar schade aan het imago van de sport was al ontstaan. Zelfs een traditioneel dopingvrije sport als het voetbal begon nu te wankelen, als het gaat om het vertrouwen van het publiek in een schone sport. 

 

 

Meer en meer topsporters werden gepakt

 

 

De methoden van controle werden steeds verbeterd en er werd nu gecontroleerd in vrijwel alle takken van sport. In 2003 werden 104 spelers uit het Amerikaanse profhonkbal betrapt op het gebruik van doping, onthulde de New York Times. Van Bernard Kohl die doping gebruikte in de Tour van 2008 schrokken we niet zo erg meer. Hij is per slot van rekening wielrenner en in deze sport lijkt iedereen rond te rijden met meer stimulerende middelen in het lichaam dan er te vinden zijn in de gemiddelde apotheek. Dat althans is het jammerlijke imago van de wielersport in deze tijd.

 

En dat was ook precies de verklaring van onze Bernard, die in de jeugdselectie van de o zo schone Rabobankploeg reed. Zijn verklaring behelsde zoiets als: “De hele wielerwereld gebruikt. Om als profwielrenner te kunnen slagen, moest je wel meedoen met de rest en gaan gebruiken”. Hij pinkte nog een traantje weg. En werd vervolgens uitgekotst door de wielerwereld. Hij zorgde er wel voor dat veel van zijn voormalige collega’s gehoord worden in Oostenrijk over de bloedbank Humanplasma, die hij zelf ook bezocht.

 

 

Common-practice in het wielrennen…

 

 

Groepjes renners wachtten bij de tegenoverliggende MacDonald’s op hun beurt in de Oostenrijkse dopingkliniek, verklaarde Kohl. De teams pushen het gebruik van doping niet (meer), zegt Kohl. De renners doen het op eigen houtje. Met alle gevaren van dien. Kohl begon zelf trouwens al op zijn 19e met verboden middelen, waardoor zijn bewering te gebruiken onder druk van de massa bij de profs niet zozeer opgaat. Kohl nam al een spuit met groeihormonen tijdens zijn sportopleiding bij het Oostenrijkse leger. Hij werd een reguliere gebruiker vanaf 2005, zijn menu: EPO, groeihormonen, insuline, testosteron.

 

Kohl gaf zelf aan zeker 200 keer gecontroleerd te zijn, voordat hij voor het eerst werd gepakt in 2008. Toch viel in het peloton wel op dat hij een vreemde eend in de bijt was. Garmin-ploegleider Jonathan Vaughters verklaarde in een interview met Maarten Scholten van het NRC dat hij Kohl op een bepaald moment naar Garmin wilde halen. Hij vroeg om inzicht in zijn biologisch paspoort. Renners vragen dan altijd het UCI hun cijfers vrij te geven. Niet Kohl. Die liet zijn manager de gegevens aanleveren. Reden voor Vaughters om Kohl direct te wantrouwen en niet te contracteren. Vaughters geeft leiding aan een zelfverklaarde dopingvrije ploeg, die bloedwaarden van renners publiceert en tv-teams achter de schermen toelaat tijdens rondes.

 

Saillant detail voor ons Nederlanders is dat Kohl later Raborenners aanwees, met als gevolg dat zij voor het gerecht werden geroepen. Als getuigen. Kohl reed alleen in de jeugdploeg voor Rabo en verklaarde dat daar niet gebruikt werd. Hij loofde het team over de naleving van hun eigen code en het opvoeden van de jeugd in een schone sport. De Rabobank heeft als hoofdsponsor ook een code ingesteld voor het profwielerteam. Eentje waarbij het voortbestaan van het team op losse schroeven zou komen te staan, als er gebruikt werd. Toch is over de affaire met de Deen Rasmussen nog steeds niet alles bekend. Rasmussen had nog 4 dagen te gaan met 3 minuten voorsprong op El Pistolero, op weg naar een Tour-overwinning in 2008. Rabobank verwijderde hem uit de Tour, omdat hij had gelogen over zijn verblijfplaatsen buiten het seizoen. Volgens geruchten werd Rasmussen onder druk van de organisatie uit de Tour genomen. 

 

Het leverde Alberto Contador een eenvoudige eerste Tour-overwinning op. En de geruchten over dopinggebruik door andere Rabo-renners blijven opduiken, van tijd tot tijd. Mart Smeets kreeg onlangs in zijn boek “Het laatste geel” verschillende coryfeeën uit het verleden aan het praten. Mannen als Steven Rooks, Gert Jakobs en Matthieu Hermans gaven het gebruik van de dopingvariant EPO toe. Toendertijd was het middel niet verboden, althans als je hermatocrietwaarde (hoeveelheid rode bloedlichaampjes) maar niet boven de 50 kwam. Een hoge grens. Een uitnodiging tot gebruik in die tijd.

Ook omdat vanwege de vele Italiaanse en Spaanse overwinningen de Nederlanders en Belgen in eigen land tot ‘patatgeneratie’ werden betiteld. Je moet gebruiken om mee te kunnen. Blijkbaar. In die tijd. Maar nu toch niet meer?

 

 

Kohl wordt niet alleen verguisd, maar ook gesteund…

 

 

Maar ook een anekdote over de Tour-revelatie van 2009; Bradley Wiggins, laat zien dat er tot kort geleden onder de renners een verwachting leefde dat vrijwel al hun collegae van verboden middelen snoepten. Wiggins haat ‘dopies’ en kent een carričreverloop, waarbij een eerlijke inborst een voorwaarde lijkt te moeten zijn. Na zijn vele prijzen op de baan belandde hij in een hevige depressie en hij dronk vervolgens elke dag de complete drankvoorraad in zijn lokale pub weg. Hij hervond zijn plezier in het wielrennen door op de weg te gaan koersen. In de Tour van 2007 ‘mocht’ hij echter ineens naar huis doordat zijn Cofidis-ploeggenoot Moreni doping had gebruikt.

 

Wiggins zwoor nooit meer de Tour te willen rijden. Hij wilde zover mogelijk verwijderd zijn van die dopingwereld. Volgens een artikel in Sportweek veranderde hij van gedachten toen hij in de Tour van 2008 Christian VandeVelde mee zag doen in de top van het klassement. Manon Colson schrijft: “Voor hem het bewijs dat een schone renner kan presteren in de Tour.” Wiggins stapt over van Team Columbia naar VandeVelde’s Garmin. Hij verbeterde zich behoorlijk ten opzichte van de enige Tour, die hij voor deze editie uitreed. In 2006 werd Bradley Wiggins 123e in de Tour de France.

 

Kohl’s bewering dat het hele peloton gebruikt lijkt wel erg overtrokken te zijn. Ondanks dat zal het dopingimago dat aan de sport kleeft niet zomaar loslaten. De paspoorten van renners, waarin bloedwaarden worden bijgehouden geven het publiek al wat meer vertrouwen in schone races. En in de Tour van 2009 werd tot dit moment nog niemand betrapt op het gebruik van doping, al zijn er enkele verdachte gevallen geconstateerd.

 

Volgens Maarten Scholten van het NRC kwamen de ploegleiders van de grote wielerploegen in 2005 bij elkaar om dopinggebruik af te zweren. Gebruik dat zij in de jaren ervoor steeds juist in gang hadden gezet. Nu bespraken ze hun renners en hun twijfels en angsten over het gebruik van doping. Namen werden genoemd van renners, behalve door aanwezige CSC-baas Bjarne Riis. Hij steekt zijn handen in het vuur voor zijn selectie renners.

 

Toch lijkt het verbond al bijna direct gebarsten te zijn. Bjarne Riis begeleidde als deelnemer aan het overleg de zondaar Lombardi als CSC-renner in de Giro van 2006.

 

Lombardi had kopman Basso aan de titel weten te helpen door opvallende progressie te boeken als klimmer in die ronde. Te opvallende progressie, vonden andere ploegleiders. Basso’s naam dook later op in ‘Operacion Puerto’, samen met medekanshebber Jan Ullrich. De Duitser werd net als Basso naar huis gestuurd vlak voor de aanvang van de Tour van 2006, waarbij hij voor T-Mobile reed. Twee dagen later al zouden teamgenoten van Ullrich, onder begeleiding van de ploegartsen weer illegale bloedtransfusies hebben ondergaan in de kliniek van de Universiteit van Freiburg. Wat zijn de woorden van de ploegleiders dan eigenlijk waard?

 

 

Dopinggebruik duikt op in alle sporten…

 

 

Bleef het wielrennen in 2009 even redelijk buiten schot, dan steekt het dopingspook wel weer ergens anders de kop op. Het omstreden bloed- of biologisch paspoort dat al zo veel wielrenners nekte gaf de aanzet tot een controverse.

 

Toen Claudia Pechstein onlangs verdacht bleek te zijn van het gebruik van verboden stimulerende middelen ging er een ander sentiment leven onder sportliefhebbers. Een sentiment, waarbij iedere profsporter, in iedere topsport, indirect een verdachte werd als hij of zij dat al niet allang was in de ogen van het gemiddelde tv-publiek.

 

Want het schaatsen, dat was toch zo’n beetje de meest pure sport op deze planeet?

 

Mispoes.

 

Het voordeel van het gebruiken van doping is het grootst bij de zeer explosieve sporten en bij duursporten. Als toeschouwers in het stadion zouden we wel erg naďef zijn, als we dachten dat de jongens en meisjes op het ijs daar voor altijd verschoond van zouden blijven. De ISU (internationale schaatsbond) zegt Pechstein betrapt te hebben op het gebruik van bloeddoping.

Pechstein wordt in haar strijd tegen de veroordeling krampachtig verdedigd door de Duitse schaatsbond.

 

Pechstein mag niet bij voorbaat al veroordeeld worden. Aan het veroordelen van sporters door geconstateerde verhoogde bloedwaarden in het biologisch paspoort kleven nogal wat nadelen.

 

De methode is bepaald niet feilloos en levert slechts indirect bewijs op. Dr. Klaas Faber is een bekende criticast van de methode. Daarover meer in deel 2 van deze serie over dopinggebruik door topsporters. Of Pechstein nu schuldig wordt bevonden of niet, het schaatsen is hoe dan ook een ‘besmette’ sport. Net als al die andere sporten. In 2001 werden bij Dimitri Shepel te hoge bloedwaarden gemeten en Angelika Kotyuga werd in 2005 betrapt op het gebruik van testosteron.

 

 

Dopinggebruik is van alle tijden…

 

 

Dopinggebruik. We moeten er gewoon normaal over doen en er normaal over praten. Gebruikende topsporters zijn niet per definitie criminelen. Ze zijn soms oneerlijk, tonen geen sportsmanship, of zijn zelfs slachtoffer van een middel of een omgeving. Het gebruik van stimulerende middelen is geen tijdelijke ziekte en soms zelfs geen schadelijke.

 

Stimulerende middelen zijn lang niet altijd verboden of competitie-vervalsend. Soms komen ze meegewaaid met de lifestyle en het overheersende modebeeld van de nieuwe generatie en maakt deze haar tot gemeengoed in de periode dat zij aan de macht is (denk bijvoorbeeld aan cannabis- en cocaďnegebruik door de topsporters van vandaag).

 

Al sinds de mensheid sport, gebruikt men stimulerende middelen om tot betere prestaties te komen. En niet alleen de mensheid. Ook sportende dieren maken gedwongen gebruik van (verboden) stimulerende middelen. De Duitse Isabelle Werth werd schuldig bevonden aan het toedienen van doping. Voor het gemak houden we het hier bij de mens en zijn simulerende middelen.

 

Soms onschuldig, soms gevaarlijk. Soms legaal, soms illegaal. Soms zijn stimulerende middelen technologisch van aard (bijvoorbeeld bij attributen), soms gaat het om medische producten. De volledige omvang van het totale gebruik aan verboden middelen door topsporters zal echter nooit te achterhalen zijn. Methoden van controle zijn namelijk altijd imperfect gebleken en lopen achter op de nieuwste ontwikkelingen.

 

Maar wat als de sporters afhankelijk van dieren zijn? Doping en dieren: dit jaar werd het paard van de internationale springruiter Jurgen Stenfert betrapt op doping. Het eerste Nederlandse dopinggeval in de springsport, volgens De Telegraaf. Het paard in kwestie, BMC Sarina, had het kalmeringsmiddel reserpine in het bloed. Stenfert wijst in de Telegraaf met de beschuldigende vinger naar een leerling-trainer op stal, die het middel uit wraak zou hebben toegediend. Stenfert maakt samen met o.a. oud-Olympisch kampioen Jeroen Dubbeldam deel uit van het BMC-team. Dit geval van dopinggebruik kan de vergelijking weerstaan met de technologisch hoogwaardige hulpmiddelen. ‘Wedstrijdattributen’ als paarden en zwempakken kunnen voor een vergelijkbare ongelijke strijd zorgen als medische dopingmiddelen.

 

 

 

 

Discussie: Dopinggebruik vrijgeven?

 

 

 

 

Er gaan al sinds lange tijd stemmen op om dopinggebruik in de sport dan maar helemaal vrij te geven. Je zult altijd achter de feiten aanlopen als het gaat om de controle. Als je doping vrijgeeft is de strijd in de sport eigenlijk best eerlijk. Iedereen heeft evenveel kans op de overwinning, gerelateerd aan het pure talent dat de sporter bezit. De vertekening van de uitslag door dopinggebruik door enkelen is weggepoetst. Iedereen gebruikt, de beste wint.

 

Filosoof Marcel Zuijderveld schrijft in het NRC over Klasien Horstman, hoogleraar filosofie en ethiek van  bio-engineering, die voor een vrij gebruik van doping pleit. Vanwege de onvermijdelijkheid van het gebruik en de toenemende gezondheidsrisico’s, die kleven aan het gebruik in de illegaliteit. Ze pleit voor een intensievere samenwerking tussen arts en sportman. Met als uitgangspunt: prestatieverbetering, maar niet ten koste van de gezondheid. Daarvoor is een onafhankelijke beroepsgroep van sportartsen nodig, met protocollen, professionele integriteit en voldoende zelfkritiek.

 

De column van Marcel Zuijderland in het NRC was geweid aan Thomas Dekker, waarbij Zuijderland stelde: “Doping is onvermijdelijk”. Thomas Dekker werd voorafgaande aan de Tour de France van 2009 geschorst vanwege epo-sporen in een urinestaal uit 2007. Zuijderland schrijft: “Doping en sport liggen in elkaars verlengde. Zolang het dopinggebruik medisch verantwoord is, is er niets aan de hand. (….) Harde sancties lossen waarschijnlijk niets op. Sport draait om het optimaliseren van de prestatie. Sporters zijn altijd geďnteresseerd in technologieën, die hun prestaties bevorderen. Daar vallen allerlei geavanceerde trainings-, voedings- en materiaaltechnieken onder, maar ook chemische en biologische prestatieverhogende middelen. De huidige strijd tegen doping is verworden tot een hopeloos kat-en-muisspel. Telkens worden nieuwe middelen ontwikkeld die detectiemethoden te slim af zijn. De lijst van verboden middelen wordt almaar langer, de detectiemethoden navenant kostbaarder.

 

Zuijderland geeft verder aan dat de controle van sporters op dictatoriale wijze gebeurd, ieder uur van de dag moeten ze hun verblijfplaats bekendmaken. En in de toekomst zal de standaardisering van gentherapie ervoor zorgen, dat sporters in een isolement gedrukt worden. De WADA bepaalt dat gentherapie voor sporters verboden is, terwijl het niet ondenkbaar is dat het gewone publiek er veelvuldig gebruik van zal gaan maken. Dit verschijnsel van medicijnen toestaan voor het publiek en uitsluiten voor de topsporter treedt nu al op bij een hormoon als epo dat ook als regulier geneesmiddel wordt gebruikt. Lance Armstrong kreeg epo toegediend als geneesmiddel tijdens zijn strijd tegen kanker, maar mag als renner er geen gebruik van maken. Krom eigenlijk.

 

 

“Moeten we dopinggebruik dan maar vrijgeven?”

 

 

 

Vanuit ethisch en filosofisch standpunt gezien zeg ik u:

 

(tweewerf) “neen!”

 

 

Het is waar, dat de strijd tegen doping altijd een race achter de feiten aan is. Net als de strijd van politie tegen georganiseerde misdaad komt de industrie steeds met nieuwe en verbeterde alternatieven, die korte metten maken met de huidige opsporingsmethoden. Dan maar vrijgeven wordt er geroepen, je kunt toch niet controleren. En als iedereen wordt toegestaan te gebruiken, is er geen ongelijke (en oneerlijke) strijd.

 

Vanuit ethisch en filosofisch oogpunt zal ik u aantonen dat het stellen van dopingdefinitie en controle op het gebruik van bepaalde vormen van doping noodzakelijk blijft.

 

 

 

 

 

Deel 1: Het gebruik van doping. Een ethische discussie:

 

 

 

 

Vanuit de ethiek gezien weegt de norm dat sporters tegen zichzelf beschermd moeten worden het zwaarst mee in de discussie. Sommige stimulerende middelen zijn gevaarlijk voor de gezondheid van de sporter (op korte termijn, op de lange duur, op latere leeftijd) en soms zijn effecten op lange termijn op zijn minst onbekend. De drang om betere prestaties te leveren drijft de sporter vaker dan evenredig (in vergelijking met de normale populatie) richting verboden en soms gevaarlijke stimulerende middelen. Middelen die worden verkregen ‘in de illegaliteit’. Maar het vrijgeven van gebruik zoals Klazien Horstman bepleit is geen optie. Ondanks dat artsen sporters kunnen begeleiden bij het gebruik van ‘gezonde’ doping zullen er altijd zwarte schapen in de beroepsgroep zijn die voor atleten gif blijven mengen.

 

Er is ook meer te winnen met het nemen van risico’s voor de profsporter, als het gaat om roem, status en financiën. Hoe kun je van een 18-jarige knul verwachten dat hij zich zorgen maakt om zijn gezondheid op zijn 50ste levensjaar, als hij volgend jaar in een Ferrari kan rijden met behulp van een dopingproduct.

 

Maar de meest belangrijke risicofactor die ten grondslag ligt aan het overtreden van de dopingregels is het karakter van de gemiddelde topsporter. Een karakter dat vatbaarder is voor verslavingen en een eenzijdige focus, dan dat van de gemiddelde medemens. Een karakter, dat door de roem die bij het topsportleven hoort, onevenredig veel vaker geconfronteerd wordt met externe prikkels, die het hoofd geboden moeten worden om prestaties te kunnen leveren. In een veel grotere mate en met meer impact dan het geval is bij een kantoormedewerker.

 

Een snel leven, met veel verleidingen, of juist een monotoon bestaan door de vele trainingsuren. Het leven van wedstrijd naar wedstrijd, terwijl verlies en winst razendsnel verwerkt moeten worden, is te vergelijken met een emotionele achtbaan. Of juist het isolement van het terugkeren na een blessure. Waaraan het af en toe fijn is even te kunnen ontsnappen. De manische focus op het eigen presteren maakt relaxen of vluchten soms tot een moeilijke taak. En dan liggen er middelen op de loer, die helpen ontsnappen aan de realiteit of het zelfvertrouwen of de prestaties opkrikken.

 

Het belang van de gezondheid van de sporter weegt in deze ethische discussie zwaarder dan het argument van de gelijke strijd in de sport door doping vrij te geven. Sportbonden hebben een verantwoordelijkheid voor het imago van de sport en het well-being van de aangesloten sporters. En dus moeten ze controleren op schadelijke en op oneerlijke wijze  prestatieverhogende stoffen om sporters tegen zichzelf te beschermen en een eerlijke competitie blijvend mogelijk te maken.

 

Mijn vermoeden is, dat het dopinggebruik zelf, door topsporters bovendien een verslavende werking heeft. Een eenmalige boost heeft ook weinig zin. Ik schat in dat ‘de gemiddelde topsporter’ door zijn of haar karakter gevoeliger is voor verslaving dan ‘de gemiddelde aardbewoner’. Door onzekerheid, door een leven vol routine, door de emotionele achtbaan van winnen en verliezen, door het gevoel geleefd te worden bij tijden, door druk van media en publiek, door het verlangen soms te willen ontsnappen, ontspannen of verbeteren, liggen vormen van verslaving op de loer. Of juist door een sociaal isolement dat gecreëerd wordt om te presteren. Zo komt een sporter mogelijk geheel in de macht van een coach of makelaar, die hem beďnvloedt tot het gebruik van doping.

 

Een risico bij de topsporter is het uit het oog verliezen van de ‘natuurlijk’ grenzen in de sport en die van het eigen menselijk lichaam. Door deze maximaal te overschrijden. Als voorbeeld, Steven Rooks tegen het AD over het EPO-gebruik van bijvoorbeeld een voormalige topper als Bjarne Riis: “Pas later is daarop ingegrepen. (Excessief dopinggebruik, meestal bloed/zuurstof-neinvloedende middeln. Rooks: “De maximale hematocrietwaarde van vijftig werd ingevoerd. Sommigen zaten richting de zestig. Volgens mij ben je dan gek. Als je hoort waar Bjarne Riis (Tourwinnaar 1996, red.) mee rond reed. Dan was ik nog maar een watje.’’

 

Er bestaat altijd een druk om te winnen en onzekerheid of de training en voorbereiding voldoende waren. En winst is in de meeste sporten slechts voor een enkeling weggelegd. Voor de achtervolgers ligt dan altijd een verslaving op de loer, die van het wegvluchten uit de realiteit, het intensiveren of veranderen van training of  (sociale) omgeving en die van het verslaafd raken aan stimulerende middelen. De nummer 1 moet van de troon gestoten worden door de achtervolgers. Met alle mogelijke middelen. Want accepteren dat het optimale niet meer haalbaar is, is geen optie voor de meeste sporters.

 

Maar ook de nummers 1 hebben het niet altijd makkelijk. Ook bij hen liggen de gevaren van misbruik van substanties op de loer. Want de nummer 1-positie behouden is lastiger dan deze veroveren. Onder druk van het publiek moet het onaantastbare imago gehandhaafd blijven. Om schoenen te kunnen blijven verkopen. Om fans naar het stadion te blijven trekken. Of denk als motivatie voor dopinggebruik aan het dreigende zwarte gat na het sportpensioen. Of het gevaar ligt in het onverantwoorde stoom afblazen: om de talloze overwinningen op gepaste wijze te kunnen vieren tijdens de carričre. Met Jan en Alleman in het café. Daar waar je ‘echte’ vrienden zitten. Zolang je wint.

 

De verboden middelen worden dan niet genomen om de prestaties te verbeteren, maar zij zijn opgenomen in de levensstijl van de sporter of ze zijn onderdeel van weer een andere vorm van vluchtgedrag.

 

Ik wil nu NIET  heel hard Yuri van Gelder roepen.

 

Dus schrijf ik het maar.

 

 

Fijn om te horen, dat de instanties die hem lieten vallen hun handen nu niet van hem aftrekken om hem te helpen met zijn cocaďneprobleem. Yuri raakte zijn sponsoren, zijn baan bij het leger, zijn laatstbehaalde titel, zijn toegang tot topsportfaciliteiten en wedstrijden en zijn goede naam kwijt. Van Gelder wordt door velen gezien als een geval op zich. En dat tekent het onterechte geloof in de kwaliteit van opsporingsmethoden en het onderschatten van factoren die dopinggebruik in de hand werken.

 

Die bepalende factor bij Van Gelder: een mentale factor, bijvoorbeeld door het bewaren van de controle tijdens het uitgaan. Om Marc Hoeben in Sportweek aan te halen: “Wie in dit soort situaties denkt dat het gaat om incidenten is behoorlijk naďef. Van Gelder nam het, net als Tom Boonen, niet zo nauw tijdens stapavondjes.” Hoeben schets het beeld van de topsporter die jarenlang werd doodgeknuffeld, larger-than-life ging leven, zich geen raad wist met zijn nieuwe maatschappelijke status en (mede?) daarom dubbel zo hard van zijn voetstuk viel toen het misging.

 

Het wrange is, dat het middel dat Van Gelder en Boonen gebruikten niet of nauwelijks prestatiebevorderend werkt in topsport. Een middel dat voor gewone burgers vaak straffeloos verkrijgbaar en te gebruiken is. Als werkgevers in Nederland op maandagmorgen dezelfde test die Yuri moest ondergaan bij hun werknemers afnemen, zouden we dit jaar helemaal gaan knallen met die werkeloosheidscijfers. Ook de omgeving en organisatie die sporters moet stimuleren tot het leveren van prestaties geeft soms het verkeerde voorbeeld. Clubs liegen over transfers en interne aangelegenheden en bonden stellen zich huichelachtig op als het gaat om falende controlemethoden en het zelf door de vingers zien van geconstateerd misbruik in het verleden.

 

Yuri van Gelder liep zich al sinds 2006 in de kijker met zijn cocaďnegebruik, in ieder geval bij de atletiekbond. Vanwege een ontslag bij defensie bij aangetoond dopinggebruik kneep men een oogje toe.

 

De acceptatiegraad van het gebruik van verboden stimulerende middelen door sporters zal ook hoger zijn dan onder ‘de gewone burgers’ door de prestatiedrang van de topsporter. De topsporter heeft tenslotte echt wat te winnen. De rest van ons krijgt toch elke maand wel betaald. En precies hetzelfde bedrag, of je het nu aardig deed of heel goed, deze maand. De topsporter zweert na enige tijd bij het stimulerende middel, omdat het brood op de plank brengt. Of zelfs beter beleg. Omdat het middel helpt om het hoofd boven water te houden of de ultieme top te bereiken. Of het helpt gewoon om actief te mogen blijven in de geliefde sport. Om als topsporter te kunnen blijven leven.

 

Al is er alleen maar sprake van een instant-placebo-effect, om het zelfvertrouwen op te vijzelen. Voor net dat kleine beetje meer. Eventuele schade op latere leeftijd wordt op de koop toegenomen, om een droom te kunnen verwezenlijken of omdat men geen opties ziet voor zichzelf buiten het sportleven.

 

 

Een topsport-karakter kan OOK een handicap zijn

 

 

Ondanks de zekerheid die onze sporthelden uitstralen bij een overwinning: de weg ernaar toe is meestal een strijd tegen de eigen onzekerheid over eigen kunnen. Per definitie is de topsporter onzeker of een beetje gek, gestoord of tenminste met kenmerken van maniakaal gedrag. Soms is hij in vergelijking met de gemiddelde aardbewoner een complete rariteit. Een fysieke freak. Neem iemand met een bovenmenselijke snelheid, zoals Usain Bolt. Of een topatleet met de lengte en bulk van de basketballer Shaquille O’Neal. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de tengere specialisten: jockey’s op paarden.

 

De topsporter heeft een maniakale liefde voor de sport en ditto focus en drang tot presteren. Anders had hij of zij de top namelijk niet gehaald. Je moet je onzeker voelen over alle aspecten van je spel en de wedstrijd, om te herkennen wat er nodig is om de beste te kunnen zijn. En dat vervolgens ook nog in praktijk brengen. Iedere dag weer, in moordende trainingssessies. Het vraagt een behoorlijke mate van het tonen van instant-energy en relativeringsvermogen ten opzichte van de belevingswereld van de gemiddelde landgenoot zonder topsportleven om jezelf steeds maar weer volledig te kunnen analyseren, af te breken en weer van de grond af op te bouwen om te blijven presteren.

 

Veel sporters zijn bijgelovig (zie: voetballers en kleedkamerrituelen), sommigen goedgelovig (zie: Bernard Kohl), maar ze hebben tenminste een routine waar ze in meer of minder maniakale vorm aan vasthouden. En dat levert een andere risicofactor voor verslaving op in het karakter van de topsporter. Wanneer zij toegeven aan het gebruik van verboden stoffen en legale stimuli, die hun prestaties kunnen verbeteren, worden deze onlosmakelijk opgenomen in de wedstrijdvoorbereiding- en trainingsroutine. Het verslavingsgevaar komt wederom om de hoek kijken. Zeker als er voldoende voorbeelden voorradig zijn van medesporters, die met het gebruik wegkomen. Uiteindelijk ga je geloven dat je moet gebruiken om aan te kunnen haken.

 

De af en toe geestdodende routine van het trainen om beter te worden zorgt voor een wens om te ontsnappen aan de realiteit door middel van stimulerende middelen, als escapisme. Waarna ook verboden middelen die prestaties stimuleren wellicht gemakkelijker in beeld komen. En naar mate deze middelen steeds meer opgenomen worden in de dagelijkse routine, kom je er moeilijker vanaf en kan het gebruik toenemen of de dosis steeds worden vergroot.

 

Het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken deed samen met TNO onderzoek naar “de gedragsdeterminanten van het gebruik van dopinggeduide middelen onder topsporters” en evalueerde tevens het antidopingbeleid in Nederland. Gedragsdeterminanten zijn factoren die gedrag bepalen.

 

Een conclusie van het onderzoek, gehouden onder topsporters, was dat teamsporters gevoeliger zijn voor de verlokking van dopingmiddelen dan individuele sporters, vanwege onderlinge beďnvloeding. Mannen, niet-Olympiërs en oudere topsporters zijn meer geneigd doping te gebruiken, in vergelijking met vrouwen, Olympiërs en jongere topsporters. Naarmate sporters vaker gecontroleerd worden op doping bouwen ze hun kennis over het onderwerp op en schatten ze het risico om betrapt te worden hoger in. Onder sociale druk van teamgenoten is het aannemelijk dat sporters sneller geneigd zullen zijn verboden middelen te nemen, zeggen de onderzoekers. 

 

 

Omgevingsfactoren spelen mee en vormen sporters…

 

 

Naast het karakter van de topsporter zijn natuurlijk factoren in de directe omgeving van groot belang als het gaat om de geneigdheid om doping te gebruiken. En die omgevingsfactoren verschillen natuurlijk per sport en per sporter. Dopinggebruik komt in de ene sport meer voor dan de andere. Uit het TNO/NCD-onderzoek bleek al dat sporters elkaar in verregaande mate beďnvloeden en actief op zoek gaan naar gelijkgestemden. Daarom is het interessanter om te kijken naar overeenkomende karakterkenmerken bij sporters, dan de verwachte kans dat sporters in aanraking komen met stimulerende middelen per tak van sport.

 

Maar als het gaat om de omgeving bij veel sporten kan gesteld worden dat een zekere mate van sociaal onaangepast of crimineel gedrag vertoond door officials en instanties een gegeven is binnen een groot aantal professionele sporten. Denk aan fraude door bestuursleden. Het omkopen van teams, spelers of scheidsrechters. Het gokken op eigen wedstrijden. Het aanprijzen van doping bij sporters door begeleiders die er beter van hopen te worden. Als je als jonge topsporter nog bezig bent met opgroeien zal je omgeving je zeker nog vormen.

 

Zoals ook het vertellen van onwaarheden geaccepteerd wordt in de sportwereld. In het reguliere leven is het not done om te liegen. In de sportwereld wordt het normaal gevonden als een official liegt over een aanstaande transfer. Of een hypocriete wereldzwembond die ongewenste zwempakken pas verbied na een toernooi in een land, wiens nationale bond de pakken sponsort (WK in Rome, 2009). Berichtgeving in de sport is vaak speculatief van aard, waardoor sporters soms als opgejaagd wild worden bestookt met vragen in een zoektocht naar de waarheid. Factoren die niet bepaald bijdragen aan een stabiele omgeving voor de sporter.

 

Als we weer kijken naar algemeenheden in sportkarakters mag ook de neiging om risico’s te nemen (bijvoorbeeld met de eigen gezondheid) niet vergeten worden. De neiging om risico’s te nemen licht aanzienlijk hoger bij topsporters dan bij het gemiddelde publiek. Ze investeren veel tijd en moeite om succes te behalen. Als er dan risico’s genomen moeten worden om de beloning te ontvangen, is de keuze snel gemaakt. Zeker als je op oudere leeftijd als topsporter moeite hebt om aan te haken bij de jongere garde. Dan heb je even een boost nodig, om er alles er nog uit te halen zolang je nog actief sport.

 

Natuurlijk zijn al deze beweringen generalisaties. Het merendeel van de oudere sporters vindt het nog prachtig om deel te kunnen nemen. In feite om rustig afscheid te nemen van de sport die hen zoveel bracht en had gebracht. En om alvast te wennen aan het idee van een leven zonder actieve sportdeelname op het hoogste niveau. Maar we kennen ook de voorbeelden van hen die in het ‘zwarte gat’ vielen en daar nog steeds bivakkeren, niet instaat om zichzelf te her-programmeren na een succesvol sportleven. De tunnelvisie van het sportleven lijdt dan tot zelfdestructie na het beeindigen van de sportcarričre. Een dergelijk sportkarakter was natuurlijk ook tijdens de carričre al vatbaar voor verleidingen en wellicht prestatieverhogende middelen. 

 

Paul Gascoigne vulde de dagen na zijn actieve carričre volgens eigen zeggen volledig met “drinken en bowlen op de Nintendo Wii”, aldus een quote in het AD. De Engelse ex-voetbalprof was volledig de weg kwijt en belandde in februari 2010 nog in de cel voor zijn dronken praktijken. Belde zijn vader vanuit een hotelkamer, midden in de nacht, om hem te vragen zijn koffers te pakken: “We gaan naar New York om in Madison Square Garden tegen president Bush en Bill Clinton te schaken”. Gascoigne had zelf thuis niet eens een schaakbord. Hij had wel twee speelgoedpapegaaien gekocht, die herhalen wat je tegen ze zegt. Op een gegeven moment was hij ervan overtuigd dat de beesten echt waren: “Op mijn kamer bestelde ik dan drie glazen bier, een voor mij en twee voor hen”.

 

Later probeerde Gazza zelfmoord te plegen, zijn poging mislukte en hij werd opgenomen in een kliniek. Hij kreeg er drie keer een hartstilstand te verwerken, maar de behandelingswijze met onder meer het praten met paarden had een gunstig effect op zijn drankgebruik. Toch dook hij onlangs alweer op in de media met verhalen over drankproblemen. Engelsen vrezen voor zijn vroegtijdige overlijden als hij hiermee doorgaat, of gaan juist weddenschappen aan over de nabije medische gesteldheid van de voormalige topper.

 

Dat de neiging om risico’s te nemen bij het gebruik van doping door topsporters erg hoog ligt bewijzen de uitkomsten van onderzoek in Amerika, uitgevoerd door Goldman in 1984.

 

Goldman ondervroeg zo’n 200 topsporters, die vooral uit de krachtsporten en krachtnummers uit de atletiek kwamen. Hij vroeg ze of ze een pil zouden nemen, die niet te detecteren valt, hun prestaties zal verbeteren zodat ze een jaar lang alles zullen winnen, maar die er tevens voor zorgt, dat ze na vijf jaar zullen sterven. 52% van zijn steekproef zei de pil te zullen willen nemen. In het TNO/NCD-onderzoek zegt slechts 6% op een dergelijk voorstel in te willen gaan. In dit geval zijn de methoden van onderzoek en het gevoel van geborgenheid om eerlijk te spreken natuurlijk zeer van belang. Tegen TNO gaven sporters buiten de reguliere vragen om eerlijk aan het moeilijk te vinden “Nee!” te blijven zeggen tegen doping als concurrenten er successen mee behalen en niet tegen de lamp lopen.

 

 

Terug naar Ben Johnson, die een comeback wilde maken…

 

 

Topsporters zijn extra vatbaar voor doping-verlokkingen, we moeten ze tegen zichzelf beschermen voor hun gezondheid.

 

Een mooi voorbeeld van de bovenstaande stelling komt van de eerder aangehaalde Ben Johnson. Na alle hoon, die hij over zich heen had gekregen door zijn gebruik van anabole steroďden tijdens de Olympische Spelen van 1988 in Seoul, werd hij wereldwijd en in zijn eigen land Canada beschouwd als paria.

 

Ik hoor u denken:

 

“Je zou toch verwachten, dat als Ben Johnson een come-back zou plannen, na uitgekotst te zijn door de hele wereld vanwege dopinggebruik, hij er verder een vroom leven op na zou houden? Een schoon en respectvol vervolg aan je carričre geven, je naam zuiveren, de sport eren en nog meer van dat zulks? Als hij mentaal en fysiek zo sterk is om de top weer te bereiken, dan moet hij toch een toonbeeld van topsportdiscipline kunnen zijn? ”

 

Mispoes.

 

U maakt een misrekening als het gaat om het onverbeterlijke karakter van sommige topsporters. Denk weer aan Yuri van Gelder, die al sinds 2006 zijn lijntjes snuift, zijn gedrag niet verborgen kon houden en daarna simpelweg niet bij machte was een schorsing te kunnen ontlopen.. Zelfs na het volgen van een programma van de begeleidende sportbond om hem op het juiste pad te brengen. Hij zette zijn droom, zijn baan, zijn sponsors en zijn imago willens en wetens op het spel om zijn levensstijl te kunnen continueren. En inderdaad, ook Tom Boonen liep meerdere malen tegen de lamp. Beide heren wisten dat aangetoond cocaďnegebruik tot een veroordeling zou lijden, toch bleven ze innemen.

 

En ze zijn niet de enigen.

 

Ook Ben bleek onverbeterlijk.

 

Ben Johnson ging in 1991 weer internationale wedstrijden lopen, maar behaalde er maar weinig succes mee. In 1992 reikte hij tot aan de halve finales in Barcelona tijdens de Olympische Spelen. In 1993 werd hij voor de tweede maal op dopinggebruik betrapt tijdens een wedstrijd in Montréal. De wereldwijde atletiekbond IAAF legde hem nu een levenslange schorsing op. De Canadese Minister van Sport stelde zelfs voor, dat Johnson maar weer naar Jamaica moest verhuizen.

 

Wat leren we van Ben Johnson?

 

De dreigende valkuil van de topsporter: er kan er maar een de beste zijn en de rest probeert op alle mogelijke manieren om hem of haar van zijn of haar troon te stoten. Goedschiks of kwaadschiks. Legaal, dan wel illegaal. Topsporters die er vatbaar voor zijn, verliezen alle grenzen uit het oog. En daarom dienen de vertegenwoordigende sportbonden kaders te stellen, waarbinnen de sporters kunnen opereren zonder gevaar voor hun geestelijke en fysieke gezondheid.

 

Beste topsporter:

 

Wanneer je in de verleiding komt tot het nemen van een verboden stimulerend middel: denk dan even aan Ben Johnson. Hij werd door de wereld uitgekotst kort na zijn finest-moment op de Olympische Spelen van 1988. Hij maakte zijn come-back, maar stootte zich onherroepelijk aan dezelfde steen. Daarna woonde hij gedurende de jaren ’90 in de kelder van zijn moeder. Hij las er strips en keek Roadrunner. Hij betaalde de huur door zijn Ferrari af te geven.

 

Denk aan mannen als Paul Gascoigne, George Best, Frank VanDenBrouke en Marco Pantani. Mannen die de top in hun sport wisten te bereiken, maar mentaal niet sterk genoeg waren om de roem of een gezonde invulling van het leven na de sportcarričre een plaats te geven. Zorg dat je betrouwbare ankers om je heen hebt, die je ten allen tijde duidelijk kunnen maken wat echt belangrijk is in het leven en die je met beide benen op de grond kunnen zetten. Zeg nee tegen dope. Voor een schone sport. En een gezond leven.

 

 

 

 

Deel 2: Het gebruik van doping. Een filosofische discussie:

 

 

 

 

Ook vanuit het oogpunt van de filosofie moet het gebruiken van doping door sporters verboden blijven.

 

In de toekomst zouden er maatschappelijk ongewenste situaties kunnen ontstaan door dopinggebruik. Bijvoorbeeld doordat door de hoge prijs van een stimulerend middel, slechts de allerrijksten erover zouden kunnen beschikken. Met als resultaat een ongelijke strijd. En sport moet eerlijk zijn. Iedereen moet een gelijke kans op de overwinning hebben, waarbij alleen factoren als talent, doorzettingsvermogen, geleverde trainingsarbeid etc. bepalend mogen zijn. Overwinningen mogen nooit te koop zijn.

 

In de toekomst zouden er medisch onverantwoorde situaties kunnen ontstaan. Dit haakt aan bij de ethische discussie. Sport mag natuurlijk nooit een strijd worden tussen degenen die het meeste risico durven te nemen met hun leven. Een leger aan arme sloebers uit Afrika zou zich eerder gedwongen kunnen voelen een gevaarlijk goedje te nemen, om via sport de levensomstandigheden te verbeteren, in vergelijking met de verwachte terughoudendheid van de gemiddelde Westerling met de hogere levensstandaard.

 

De grootste gek, of beter: degene die het meest te verliezen heeft, gezien vanuit maatschappelijk oogpunt, wint de wedstrijd, want hij neemt de meest giftige, maar meest prestatiebevorderende middelen.

 

Laten we de filosofische discussie eens in een voorbeeld gieten, om het filosoferen door u als bezoeker te stimuleren en te bepalen hoe we sport definiëren.

 

U zou zichzelf de volgende vragen kunnen stellen:

 

Wat is sport voor ons? Wat betekent het voor ons en voor onze maatschappij? Hoe willen we dat sport er in de toekomst uitziet en beoefend wordt? Wat moet er vastgelegd worden? Welke stimulerende stoffen, technieken, technologie en materialen willen we verbieden? En hoe willen we dat gaan controleren en handhaven?

 

 

 

Een concreet probleem in een concrete sport

 

 

TobSport introduceert een vrij vergezocht stimulerend middel in een theoretische discussie, als een concreet voorbeeld, waarbij een maatschappelijke ontwikkeling gedefinieerd zal moeten worden in toekomstige doping-discussies en vertaald zal moeten worden in reglementen van beleid en handhaving:

 

 

 

TobSport-stelling:

 

“Stel dat er beenprothesen ontwikkeld worden, die zorgen dat je hoger springt dan de mens met het ideale reguliere sportbeen. Paralympics-deelnemers zouden massaal hoogspring-records gaan vestigen op atletiekevenementen. “

 

 

 

 

Vanuit filosofisch oogpunt zou je kunnen stellen dat het uitsluiten van de prestaties van de adoptanten van kunstbenen oneerlijk is. Ze zijn hun ledemaat hoogstwaarschijnlijk tegen hun zin kwijtgeraakt en mogen ethisch gezien (ethische norm: geen discriminatie) derhalve niet uitgesloten worden om het op te kunnen nemen tegen de besten in hun sport. Als de prestaties op onderdelen van de deelnemers aan de Paralympics die van de deelnemers aan de Olympische Spelen gaan overtreffen zit er natuurlijk iets goed scheef.

 

Atleten met prothesen beroepen zich op het gelijkheidsbeginsel van de wetgever, onlosmakelijk verbonden met het begrip ‘sport’: gehandicapten zijn helaas nog vaak de ‘underdog’ in de maatschappij, pak ze niet een van de weinige middelen af waarmee ze zich in prestaties kunnen spiegelen aan de rest van de mensheid.

 

Want hoezo oneerlijke concurrentie met kunstbenen?

 

Ben ik geen mens, met een kunstbeen dan? Want vocht ik niet voor het welzijn van de hele mensheid, tegen het terrorisme in de Iraakse woestijn, toen ik mijn been verloor bij het exploderen van een bermbom? Als ik vervolgens opgekalefaterd wordt en toch kan presteren, waarom mag ik het dan niet aan de hele wereld laten zien op het hoogste podium? Waarom zijn bepaalde podia voor mij off-limits, terwijl ik geen schuld heb aan de staat van mijn lichamelijke gesteldheid en de kwaliteit van regulier geďmplementeerde legale stimulerende middelen. Veroordeel mij niet voor de stand van zaken binnen de wereld van de techniek. Techniek, die in de buitenwereld bejubeld wordt leidt in de sportwereld tot uitsluiting.

 

We gaan verder met onze theoretische case: in de reglementen van definiërende sportbonden is over deelname aan evenementen met (naar later blijkt: superieure) prothesen niets vastgelegd. De rechter oordeelt, dat records, gevestigd door mensen met een handicap, gewoon geldig zijn. En ze mogen aan alle reguliere evenementen deelnemen in de toekomst (want de rechter zegt: geen discriminatie).

 

 

Het gevolg?

 

 

Sporters met handicaps veroveren de sport. Ze zijn onaantastbaar voor degenen die zonder prothese door het leven gaan. Er worden nog twee klassen ingesteld, maar het spektakel van de hoge sprongen met kunstbeen, zorgt dat de reguliere hoogspringcompetitie van niet-gehandicapten vrijwel geen aandacht meer krijgt.

 

Na enige tijd weet niemand meer beter dan dat kunstbenen van Philips Medical Equipment helemaal de shit zijn in het seizoen 2025-2026 en dat je zonder prothese niet meekunt met bijvoorbeeld de wereldtop in het hoogspringen.

 

Het ongewenste gevolg van het erkennen van de records van de voormalige Paralympics-deelnemers zou kunnen zijn dat gezonde jonge mannen op jonge leeftijd vrijwillig besluiten een been te amputeren om er een prothese voor in de plaats te zetten. Omdat zij net als Bernard Kohl zeggen gedwongen te worden tot het adopteren van een stimulerend middel, om de wereldtop te kunnen bereiken.

 

 

 

Filosofisch discussiepunt:

 

 

 

Moeten sporters met prothesen dan uitgesloten worden?

 

 

Als je “ja” antwoordt, en daarna “kommop hee,  belachelijk voorbeeld”….

 

 

Wat dan als er prothesen beschikbaar komen, waarbij niet aangetoond kan worden dat ze in een menselijk lichaam aanwezig zijn?

 

 

En wat als deze onzichtbare prothesen toch juist ongekende super-human prestaties mogelijk maken?

 

 

Wat als deze prothesen op de lange duur een ongekende slijtage teweegbrengen op het lichaam en een verkorte levensduur bewerkstelligen?

 

 

Waar zijn we dan nog met ons huidige dopingbeleid van pappen en nathouden? En hoe denken we over het toepassen van nieuwe technologie in de sport?

 

 

Want ook technologische mogelijkheden met betrekking tot sport zullen net als stimulerende stoffen allen gedefinieerd moeten worden als zijnde ‘gewenst’ of ‘ongewenst’. Wanneer ongewenste technologische stimuli verborgen gehouden kunnen worden zijn zij in feite een vorm van doping. De aanpak van doping als het gaat om lichaamsstimulerende stoffen en technische vindingen door de wetenschap dient uit te gaan van dezelfde uitgangspunten.

 

 

Want wat als Nike een air-zool uitvindt die verbetering van de records bij het hoogspringen met meer dan 10 centimeter mogelijk maakt?

 

 

Gaan we die zool dan verbieden, omdat alle oude records dan niets meer waard zijn of gaan we altijd voor vooruitgang, om te gaan waar we nog nooit geweest zijn?

 

 

Steven Rooks trekt tegenover het AD een vergelijking tussen EPO, nu beschouwd als doping en de stimulerende middelen van de toekomst: “Het was toen niet verboden. Het was een middel om sneller te herstellen, dat was goed voor je lijf. Ik heb er ook geen spijt van. Ik stond toen voor de keuze en die heb ik gemaakt. Dan moet je later ook niet meer zeuren. Epo had in die periode een heel andere lading dan vandaag de dag. Vertaal het eens naar de situatie van nu. Stel dat er een herstelmiddel op de markt komt, dat niet op de lijst staat. Is er dan een reden waarom je dat niet zou gebruiken?’’


We moeten vooruitlopen op de zaak en nu al definiëren wat we als ongewenste elementen zien in iedere, specifieke sport. En omdat vooruitkijken in concreto vrijwel onmogelijk is, moeten we juist bepalen en vastleggen wat we als de gewenste elementen, de basics, van iedere sport zien. Bijvoorbeeld na de introductie van Nike’s air-zool: we willen dat menselijke spieren de competitie bepalen bij het hoogspringen en dat de prestaties over alle tijden vergelijkbaar zijn. De vooruitgang van de technologie en wetenschap gericht op sport is onvoorstelbaar. We moeten nieuwe ontwikkelingen snel constateren en duiden als ‘gewenst’ of ‘ongewenst’. En niet in de toekomst, maar vandaag.

 

 

Want het eerste concrete, mondiale geval van een technologische verbetering die het gelijkheidsbeginsel van de sport ondermijnt diende zich al aan. De Blade-Runner uit Zuid-Afrika (in 2013 verdacht van moord, redactie) stak mensen met 'normale ledematen' al naar de kroon op zijn kunstonderbenen.

 

 

En u heeft allemaal wel gehoord van de nieuwste generatie zwempakken waar wedstrijdzwemmers zich tegenwoordig in vertonen.

 

 

De zwempakken maken het mogelijk lucht onder het lichaam te vangen, waardoor zwemmers hoger in het water liggen en minder weerstand ondervinden. Daarnaast werken ze als een soort korset waardoor de stroomlijn van het lichaam verbeterd wordt. Wereldrecords sneuvelden dan ook bij de vleet. Vanaf 2010 moeten alle pakken weer gewoon van katoen gemaakt worden en is gedefinieerd hoe de vorm van een pak moet zijn. 

 

Maar in feite is het kwaad al geschied. De wereldrecords gezwommen in de pakken blijven staan. Mogelijk wordt er een voetnoot bij geplaatst. In de toekomst kunnen we dan toch weer genieten van de strijd waarbij het zwemtalent en de trainingsinzet bepalend zijn en niet de technologische wedloop om het beste zwempak. De zwempakken kunnen misschien beter in zijn geheel afgeschaft worden voor de mannelijke zwemmers in faveure van de good-old ballenknijper, met voor de dames een enkel voorgeschreven neutrale materiaalsoort en vorm.

 

Een toekomstige angstgegner voor dopingautoriteiten zijn de mogelijkheden die gentherapie gaat bieden. Gendoping gaat het hele dopingbeleid zoals wij het kennen op zijn kop zetten. Genmethoden in de sport kunnen stimulerend van aard zijn, maar kunnen ook fungeren als methoden om nog niet ontwikkeld talent op te sporen. Gekeken wordt dan naar de aanleg die een persoon zou kunnen hebben voor een bepaalde sport. Gentherapie kan dan talent registreren en modificeren.

 

Ivo van Hilvoorde: “Kan een genetisch gemodificeerde atleet een authentieke sportprestatie leveren?

 

Een filosofische discussie over gendoping op basis van feitelijk onderzoek werd gestart door Ivo van Hilvoorde in het tijdschrift voor de actuele filosofie Krisis. In 2004 schreef Van Hilvoorde het artikel “Topsport en gendoping. Grenzen aan sport, opsporing en geloofwaardigheid” (te downloaden als pdf-bestand via Krisis.eu). Van Hilvoorde is verbonden aan de sectie Gezondheidsethiek en wijsbegeerte van de Universiteit Maastricht. Het artikel werd gepubliceerd in 2004 in het Tijdschrift voor Empirische Filosofie.

 

Download het artikel als pdf-bestand via:

 

http://www.krisis.eu/content/2004-4/2004-4-03-hilvoorde.pdf

 

 

 

 

Deel 3 : Het probleem van dopingbeleid- en handhaving

 

 

 

Het probleem van de handhaving en controle als het gaat om doping in de sport is tweeledig.

 

Beide problemen leveren een sterk argument op voor degenen die doping willen vrijgeven. Schrijf ik tot mijn spijt. Een gedegen dopingbeleid vaststellen en uitvoeren is als een liedje van Paul McCartney: “A Long And Winding Road”. Bijna een utopie. Toch moeten we het zo goed mogelijk proberen te doen.

 

 

Enerzijds is er het probleem van de concrete doping-definitie:

 

Welke (technologische en medische) middelen kunnen wel en welke niet? Welke zijn lichamelijk schadelijk, op welke termijn en waar leg je de grens? Hoe ga je zorgen dat je op de hoogte bent van alle nieuwe dopingvarianten? Etc..etc.. 

 

 

En dan zijn er ook nog verschillende antwoorden op deze vragen, gezien over alle verschillende sporten.

 

 

Anderzijds is er het probleem van de handhaving:

 

Hoe ga je controleren? Waar ga je controleren, wanneer en vanaf welke leeftijd? Wat zijn de straffen voor dopinggebruik? Zijn er algemene straffen of worden straffen bepaald naar mate van het behaalde eindresultaat, de dosis of het type middel? Schrap je resultaten uit het verleden bij ontdekkingen in de toekomst?  Etc…etc…

 

 

 

 

TobSport-Conclusie:

 

 

 

Sportbonden kunnen niets anders doen, dan zo goed en zo kwaad mogelijk als het gaat, toe te zien op dopinggebruik door sporters. Om hen tegen zichzelf te beschermen. En om een zo eerlijk mogelijk verloop van individuele wedstrijden te blijven realiseren. Om de koppeling tussen sportbeleving door amateurs (en hun prestaties) enigszins in lijn te houden met die van de professionele broers in de topleagues. Die niet over super-superieure methoden mogen beschikken,die elke connectie met de plezier-spelers die nog bestaat, voorgoed laat verdwijnen.

 

Sportbonden dienen redelijke straffen in te stellen, degelijke controle- en handhavingmethoden te adopteren en goede nazorg te verlenen. Hun kennis van ongewenste stimulerende middelen  dient  up-to-date te zijn, om zo goed mogelijk te kunnen toezien op het gedrag van sporters en ons als toeschouwers een zo schoon en eerlijk mogelijk sportevenement te kunnen blijven voorschotelen. Dat vraagt om top-notch medische kennis en kennis van de nieuwste technologische snufjes in de sport, geboren uit wetenschappelijk onderzoek.

 

Reglementen van bonden moeten gespiegeld blijven worden aan de nieuwste ontwikkelingen en zonodig bijgesteld worden.

 

Men zal echter ook goed na moeten denken over de definitie van elke specifieke sport:

 

Wat maakt onze sport nu tot onze sport? Welke onderdelen vinden we vooral leuk en belangrijk? Welke willen we koste wat het kost behouden voor het nageslacht? Welke veranderingen zien we en wat vinden we daarvan? Hoe willen we dat onze sport over een x-aantal jaren gezien en gespeeld moet worden? Welke factoren willen we als bepalend zien, voor het behalen van de hoogste trede in iedere specifieke sport?

 

Wanneer sporten tot de kern gedefinieerd worden, is ook het bepalen van ongewenste toekomstige invloeden (bijvoorbeeld die van technische stimuli of medicatie) een peulenschil.

 

 

Het antwoord op onze filosofische discussie?

 

 

De IAAF, de internationale atletiekfederatie, kan in haar reglementen definiëren dat atleten geen operatief gewijzigde ledematen mogen hebben om deel te nemen aan de reguliere toernooien. Excuses naar de toekomstige gehandicapten, die zich de superbenen aanmeten. Een sportwedstrijd moet in beginsel een eerlijke strijd opleveren. Een strijd waarbij de gemiddelde toeschouwer zichzelf kan relativeren aan de geleverde prestatie.

 

Met een kunstbeen kan dat niet, maar met een  bovenmatig, maar op natuurlijke wijze getraind ‘normaal’ ledemaat weer wel. Ook een zwempak, dat door fabrikanten steeds verbeterd wordt en voor een oneerlijke competitie zorgt dient verboden te worden. Sporters mogen niet afhankelijk gemaakt worden van een enkel attribuut. Van een enkele firma, die een bepaald technologisch patent bezit.

 

De air-zool van Nike mag daarom ook niet gebruikt worden. Zelfs niet als concurrerende merken ook gebruik mogen maken van de nieuwe luchtzooltechniek. Ook al zouden alle sporters de zool adopteren, het verschil in het meten van tegenwoordige prestaties in vergelijking met die van atleten uit het verleden druist in tegen de natuurlijke evolutie van de sport. Als hoogspringers met de zool standaard 10 centimeter hoger springen dan atleten uit vorige generaties verniel je het verleden en het fundament onder de sport. Het publiek zal negatief reageren: “De schoenen doen al het werk, wat zijn de records nog waard?

 

Toch vind ik de klapschaats dan weer wel kunnen, al is het verschil met de air-zool van Nike lastig te duiden. Het schaatsen is een relatief jongere topsport dan de populairste atletische onderdelen en de sport is gedurende gaar hele historie gewend aan het breken van records en het verbeteren van attributen. Meer dan de atletische discipline, die natuurlijk al op het scherpst van de snede wordt gestreden sinds de dagen van de originele Olympische Spelen. Prestaties van schaatsters werden ook gestimuleerd door een verregaande professionalisering in de laatste jaren. Een natuurlijke evolutie voor iedere populaire sport met banden in de maatschappij door het verenigingsleven. De klapschaats past in het plaatje van de natuurlijke technologische evolutie, wordt vervaardigd door meerdere firma’s en is ook toegankelijk voor Jan-met-de-Pet, die een rondje maakt op de bevroren visvijver bij hem in de buurt.

 

Dus: Nike Air-Max SuperSole Elevator XXL 2031® maar niet doen, want de veren in die schoenen leveren zo’n wezenlijke bijdrage aan de gewonnen hoogte op die bij de prestaties uit het verleden, dat de impact gewoon als ‘te groot’ moet worden bestempeld. Onnatuurlijk groot. Geen leerling loopt met gym op die dingen. Bij volleybal spring je voor je gevoel bijna over het net heen. Of je springt om de ringen te pakken, maar eindigt met je hoofd klem in een van die vermaledijde attributen. De klapschaats daarentegen, beschikbaar voor iedere consument en op den duur het prototype-schaats, is te dominant aanwezig op de consumentenmarkt om hem te kunnen weigeren. De schaats vertaalt de menselijke prestatie beter dan de luchtzool. De zool geeft een effect mee, dat als ‘onnatuurlijk’ bestempeld moet worden.

 

 

Een aanbeveling voor de officiële sportinstanties…

 

 

Naast technologie zijn er natuurlijk de dopingproduct die geslikt, gesnoven of anderszins worden ingebracht. Sporters die van verboden middelen snoepen dienen onherroepelijk geschorst te worden. Zeker voor twee sportseizoenen. Ze moeten wel de kans krijgen om daarna weer volledig deel te nemen aan alle wedstrijden wereldwijd. Maar verprutsen ze die kans, dan verdienen ze bijna het lot van Ben Johnson in de kelder bij zijn moeder.

 

Om eerlijke veroordelingen mogelijk te maken is een degelijk, wereldwijd dopingbeleid nodig, gerespecteerd en uitgevoerd door alle sporten tezamen. De aanzet daartoe zal moeten worden gegeven door de wereldwijde politiek, die een commissie van sportende wetenschappers en bekwame sporters instelt, die bindende regelgeving samenstelt met de wereldwijde sportbonden. En daarna de handhaving bewaakt.

 

De bonden werken met commissies die op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen en die definities opstellen in samenwerking met de leden. Kijk daarbij ook naar de consumentenmarkt: is het gebruik algemeen geaccepteerd binnen de maatschappij of zou het geaccepteerd kunnen worden? In dat licht is het veroordelen van Yuri van Gelder natuurlijke een farce. Yuri zondigde natuurlijk niet om beter en oneerlijk te kunnen presteren. De nationale bonden hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid om de bestrafte sporters tegemoet te komen met individuele hulpverleningstrajecten. Daarnaast moeten bonden in al hun uitingen en hun doen en laten het imago van het nastreven van een schone sport uitdragen. En de sportjeugd op die manier opvoeden.

 

 

Een reactie op woorden van de filosoof Zuijderland:

 

 

In zijn column besluit Marcel Zuijderland met zijn mening dat de illusie van het nastreven van fair-play het als argument in de dopingdiscussie niet mag winnen van het zelfbeschikkingsrecht van het individu over zijn eigen lichaam. Zuijderland vindt dat dat recht niet in handen van de dopingauthoriteit mag liggen: “De sporter bepaalt hoe ver hij gaat”.

 

TobSport sluit zich niet aan bij Zuijderland en vindt dat de sport en de sporter wel degelijk binnen vooraf gestelde kaders moeten bewegen. Net als er voor gedragsregels voor sporters en bezoekers van wedstrijden algemeen geaccepteerde regels zijn opgesteld en worden gehandhaafd, dient het gebruik van alle bekende technologieën door topsporters in de gaten worden gehouden en beoordeeld.

 

Zuijderland vergelijkt in zijn column de hoogtestage van zwemmer Maarten van der Weijden met een hoge hematrocrietwaarde in zijn bloed als gevolg, met het op chemische wijze verhogen van de waarde en pleit dat beide methoden zouden moeten mogen.

 

Korte reactie:

 

TobSport gelooft wel in het definiëren en vastleggen van fair-play en vindt dat topsporters verantwoordelijk zijn voor een acceptabel imago voor zichzelf, de sport en haar waarden, die zij als deelnemende sporters vertegenwoordigen. Een sporter hoort gezondheid, eerlijk spel en liefde voor de sport te etaleren. Een sport als begrip is met al haar historie en maatschappelijke betekenis.groter dan het individu.

 

Topsporters moeten altijd in de buurt blijven van de amateurs, die zich met hen willen indentificeren. Dat laatste lukt niet met een totaal gedrogeerde atleet of een sporter die over voor de gemiddelde consument niet-toegankelijke hulpmiddelen beschikt. Een hockeystick van een amateur moet in essentie vergelijkbaar blijven met die van een ‘pro’. Ze mogen afwijken in aanschafwaarde. Maar niet door het toepassen van een voor topsporters exclusieve technologie, bijvoorbeeld een ingebouwde automatische piloot met behulp van GPS-techniek.

 

De richting die de (medische) wetenschap opgaat is niet te voorspellen. Daarom kunnen sportbonden het best de meest essentiële waarden in hun sport vastleggen. Om vervolgens alle nieuw opduikende producten van deze wetenschap eraan te toetsen:

 

Gewenst of ongewenst binnen onze sport?

 

Voor een feitelijk historisch overzicht van dopinggebruik leest u ook artikel 2 van deze serie over dopinggebruik door topsporters.

 

 

 

 

 

Bronnen:

 

 

Wikipedia.org over Ben Johnson.

Knack.be – “Edgar Davids, Jaap Stam en Frank De Boer – nandrolon” (2001).

Sportweek, Manon Colson – “Vraagtekens rond opmerkelijke opmars” (27-07-2009).

Sportweek, Marc Hoeben – “Een verwoestend spoor” (20-07-2009).

AD.nl, Peter van Duyl – “ ‘Epo had andere lading’ “ (18-06-2009).

AD, Sportwereld -  Quotes” (18-03-2009).

De Telegraaf, Mascha de Jong – “Paard Stenfert betrapt op doping” (28-05-2009).

NRC Handelsblad, Marcel Zuijderland – “Had Dekker toch laten fietsen” (06-07-2009).

NRC Handelsblad, Maarten Scholten – “Eind dopestrijd niet in zicht” (01-07-2009).

NRC Handelsblad, Maarten Scholten – “We moeten Titanic keren voor de ijsberg” (04-07-2009).

Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken, Wiefferink et al (onderzoekers verbonden aan TNO Preventie en Gezondheid en het NCD) - “Topsport en doping” (2005).

 

Krisis.eu, Ivo van Hilvoorde - “Topsport en gendoping. Grenzen aan sport, opsporing en geloofwaardigheid” (03-04-2004).

 

Download het artikel als pdf-bestand via:

 

http://www.krisis.eu/content/2004-4/2004-4-03-hilvoorde.pdf

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer op dit artikel

 

Meer van deze schrijver