|
|
Doping in de sportwereld (deel 1)Een einde aan de handhavingsdiscussie Door GERSON HEIDINGA, TobSport.nlGepost en up-gedate
op 04-03-2010. Geschreven: 27-07-2009. “Beste topsporter, Wanneer je in de verleiding komt tot het nemen van een
verboden stimulerend middel: denk dan even aan de Canadese sprinter Ben
Johnson… Hij werd door de wereld uitgekotst, kort na zijn finest-moment,
na het gebruik van steroďden op de Olympische Spelen van 1988. Hij maakte
zijn come-back, maar stootte zich onherroepelijk aan dezelfde
doping-steen… Daarna woonde hij gedurende de rest van de jaren ’90 in de kelder van zijn moeder. Hij las er strips en keek naar Roadrunner. En dat was het. Hij betaalde de huur door zijn Ferrari af te geven.” In dit dopingartikel: ·
Een discussie over doping vanuit een ethische en filosofische
invalshoek ·
Problemen bij het vaststellen van dopingbeleid en
handhaving ·
Ben Johnson beledigde de wereld twee keer ·
Bernard Kohl vs. Bradley Wiggins
en Christian VandeVelde ·
Gehandicapten met nep-benen vestigen
records in het hoogspringen ·
Een ongewenste technologische stimulans: het zwempak ·
Een TobSport-conclusie: Wat te doen met doping? Zie ook: Deel 2: een overzicht, doping in de sport: verleden, heden en toekomst. Inleiding: Doping, het publiek en
de media Dopinggebruik is in deze tijd niet meer weg te denken uit
de sportwereld. Sla een lukrake sportkatern open en de verhalen over
dopingzondaars en hun motivatie voor het gebruik of hun tenenkrommende
ontkenning daarvan stromen je tegemoet. Tegenwoordig dienen we het begrip
‘doping’ te betrekken op zowel medische als technologische toepassingen,
leren we uit de krantenberichten. Een zwempak van een materiaal dat voor
extra drijfvermogen zorgt staat net zo goed garant voor een oneerlijke competitie
als het gebruik van een gevaarlijke prestatiebevorderende stof die ervoor
zorgt, dat je hart het op elk moment kan begeven. Maar die media-aandacht voor stimulerende middelen, die
wij tegenwoordig zo gewend zijn is er niet altijd geweest. In het begin van
de vorige eeuw zagen we de atleet als een supergezonde Übermensch, met
een bovenmatige aanleg en trainingsinzet. In deze tijd worden carričres
gebroken en worden levens verwoest, zonder enige vorm van scrupules door het
journaille en zonder degelijke belichting van de drijfveren van het individu.
Sporters die ver boven de concurrentie uitsteken zijn per definitie verdacht.
Dit door de vele verhalen over dopinggebruik bij collegae, gecontroleerd met
methoden die nog veel te wensen overlaten. Sportkaternen moeten gevuld worden
en daarom is iedere verdachtmaking van een bekende sporter tegenwoordig de
vrijbrief voor een mediahetze. Dit eerste artikel over dopinggebruik door topsporters is
opgedeeld in 2 discussiepunten of invalshoeken. Waarover geen verwarring of
discussie mag bestaan: binnen onze generatie vallen de eerste sporters in de
geschiedenis, die op basis van hun gekozen methoden van voorbereiding of
gebruikte attributen tot de status van crimineel worden verheven binnen de
maatschappij. Van Hero-to-Zero in-an-instant. Tot aan de jaren ’70 van de vorige eeuw wisten we niet
beter of iedere sporter trainde zich suf en behaalde alleen daardoor
prachtige prestaties. Alle respect voor onze helden, die zich in het zweet
hadden gewerkt om de top te bereiken. De term ‘doping’ was ons onbekend en als
we al aan stimulerende middelen dachten, dan ging dat niet verder dan het
beeld van de sporter die een goedbelegde boterham met pindakaas at voor extra
energie. Daarom werd er ook niet of nauwelijks gecontroleerd op de wijze
waarop topsporters zich voorbereidden op hun wedstrijden. Er was geen zwarte
lijst met verboden middelen. Dopinggebruik kent een schimmige geschiedenis… Maar halverwege de jaren ‘80 dienden zich verhalen aan in
de media van de onsportievelingen, die op slinkse wijze succes hadden weten
te behalen. Recht onder onze ogen. Door stiekem middelen te nemen die de
lichaamsfuncties stimuleren. Oost-Duitse praktijken, met ongezonde middelen.
Vrouwen met fikse baardgroei en experimenten met medicijnen. Toegediend
binnen sportopleidingen met een ijzeren discipline en overgave, waarbij
medici zich bogen over het verbeteren van artificiële stimulerende middelen
voor het lichaam. Dit alles in het grootste geheim. Of middelen verboden of schadelijk waren deed minder ter
zake dan de mate waarin ze te detecteren waren voor de buitenwereld. Er
gingen wilde verhalen rond. Eerst tussen de atleten onderling, later door
voorzichtige berichtjes in de media. Vrouwen met mannelijke kenmerken door
overmatig hormoongebruik. Gezonde mensen geveld door een onverwachte
hartstilstand. Een ongezond beleid, gestimuleerd door een politiek regime,
dat met succesvolle prestaties in de sport haar ideologie tracht te promoten.
Geruchten, want bewijzen waren niet voorhanden. Later
werden (bijvoorbeeld de Oost-Duitse) sporters alsnog aan de schandpaal
genageld. Dopingautoriteiten in deze tijd laten niet na de nieuwste
technieken in te zetten om alsnog atleten uit het verleden te betrappen. De
volledige geschiedenis moet nog geschreven worden of zal nooit in zijn geheel
aan het licht komen. Daarnaast werden stimulerende technieken natuurlijk
verbeterd door het voortschrijdend inzicht in de wetenschap: met ook betere
trainingsmethoden en sportattributen op de markt als gevolg. Zoals de
klapschaats, die vrij snel door iedere topschaatser werd geadopteerd en een
wezenlijke verbetering van records teweegbracht. Maar waren al deze ‘verbeteringen’ wel verbeteringen? Er begon iets te dagen. Sporters zelf hadden al lang collega’s in het oog, die
vreemd gedrag vertoonden of uitzonderlijke prestaties aan de dag wisten te
leggen. In stilte slikte men de oneerlijke concurrentie. Er werd vrijwel niet
gecontroleerd en niet alle (schadelijke maar prestatieverhogende) methoden
waren verboden. Het wachten was op een concreet geval van aantoonbaar
dopinggebruik, zodat ook het grote publiek wakker zou worden. Het wachten was op de eerste sloeber, die als symbool zou
fungeren van de aanstaande era-of-the-war-on-dope-in-sports in de
jaren ’90, die voortduurt tot in onze tegenwoordige tijd. Als een icoon van
oneerlijkheid. En toen diende die man zich aan. Het nieuws sloeg in als
een bom. Een sporter, met de aandacht van de hele wereld op zich gevestigd,
brak de ban in de media en deed daarmee zichzelf voor lange tijd in de ban.
Dopinggebruik werd een praatje rond de koffieautomaat over de hele wereld. Ben Johnson gebruikte anabole steroďden De atleet Ben Johnson uit Canada was toch wel de man, die
via de media de massa aan het denken zette en hen wakker maakte als het gaat
om dopinggebruik in professionele sporten. In 1988 liep hij de finale van de 100-meter sprint op de
Olympische Spelen van Seoul, waarbij hij de favorietenrol deelde met de
legendarische Olympiër Carl Lewis (9 gouden medailles). Een duel waar de
wereld naar uitkeek, omdat Johnson de onaantastbare Lewis eerder dat jaar had
weten te verslaan tijdens de wereldkampioenschappen, waarbij hij tevens een
wereldrecord vestigde. Tijdgenoten herinneren zich de beelden van Johnson, aan
de start in Seoul, met een opgepompt lichaam, terwijl hij zichzelf richting
een nieuw wereldrecord lanceerde. Hij realiseerde de toen ondenkbare tijd, van 9,79
seconden en eindigde voor Lewis. Later zou blijken dat hij de prestatie leverde onder
invloed van Stanozolol, een vorm van anabole steroďden, die de spieren
versterken. De wereld voelde zich bekocht door Johnson en kijkers moesten
voor altijd leven met het feit, dat de strijd die zij gezien hadden op
oneerlijke wijze was verlopen. En dat het eindresultaat dus niets waard was.
Lewis kwam trouwens ook niet onder insinuaties van dopinggebruik weg. Hij
werd echter niet geschorst, omdat concentraties van gevonden verboden stoffen
in zijn bloed te laag waren om hem te veroordelen. Dopinggebruik duikt op aan het begin van de jaren ’90… Wielrenners begonnen EPO te gebruiken vanaf het
wielerseizoen ’89-‘90 zegt ex-renner Steven Rooks. En het wielrennen liep
voorop als duursport bij uitstek. Front-runners in het wielrennen
waren de Italianen en in mindere mate de Spanjaarden. Die een opvallend aantal
overwinningen lieten optekenen. Toch zou het nog even duren voordat in deze
sport de eerste gevallen in de media opdoken. Maar ook bij voorgaande
generaties renners was bekend dat stimulerende middelen werden gebruikt in
het peloton. Ze waren echter nog niet verboden. Het effect van EPO-gebruik vanaf begin jaren ’90 van de
vorige eeuw op de sport was duidelijk volgens Rooks. Tegen het AD: “Ik
denk dat de Italianen er in 1990 mee begonnen en opeens werd je aan alle
kanten voorbij gereden. Het ene jaar was je vijfde in Luik-Bastenaken-Luik en
een jaar later kansloos 27ste.” Maar het gebruik was niet zonder gevaren:
“Ik was ook wel wat bang. Je wist dat je bloed er dikker van kon worden,
dat er klonters konden ontstaan. Ik heb altijd beseft: ik wil na het
wielrennen óók nog een leven hebben.’’ In de periode daarna volgden de gevallen van betrapte
dopingzondaars zich in rap tempo op in de wielerwereld en daarbuiten. Nog
meer atleten werden gepakt, duursporters, krachtsporters en later zelfs onze
bekendste en meest beminde balsporters uit het Nederlands Elftal. Nationale
knuffelbeer Frank de Boer testte positief op de stof Nandrolon en werd
gevolgd door mede-internationals Edgar Davids en Jaap Stam. Nandrolon is ook
een anabole steroďde. Alle spelers ontkenden misbruik van verboden stoffen. Men verwees naar oogdruppels (Davids) en
voedingssupplementen. In die tijd schrijft Knack.be dat Nederlandse
voedingssupplementen voor zo’n 25% bestaan uit dopinggerelateerde stoffen,
die op de etiketten niet weer te vinden zijn. De Nederlandse internationals
werden gelukkig voor hen opgevolgd door buitenlandse collegae, waarbij
dezelfde stoffen in het bloed werden geconstateerd. Het leek toch echt te
gaan om stoffen in voedingssupplementen. Maar schade aan het imago van de
sport was al ontstaan. Zelfs een traditioneel dopingvrije sport als het
voetbal begon nu te wankelen, als het gaat om het vertrouwen van het publiek
in een schone sport. Meer en meer topsporters werden gepakt De methoden van controle werden steeds verbeterd en er
werd nu gecontroleerd in vrijwel alle takken van sport. In 2003 werden 104
spelers uit het Amerikaanse profhonkbal betrapt op het gebruik van doping,
onthulde de New York Times. Van Bernard Kohl die doping gebruikte in
de Tour van 2008 schrokken we niet zo erg meer. Hij is per slot van rekening
wielrenner en in deze sport lijkt iedereen rond te rijden met meer
stimulerende middelen in het lichaam dan er te vinden zijn in de gemiddelde
apotheek. Dat althans is het jammerlijke imago van de wielersport in deze
tijd. En dat was ook precies de verklaring van onze Bernard,
die in de jeugdselectie van de o zo schone Rabobankploeg reed. Zijn
verklaring behelsde zoiets als: “De hele wielerwereld gebruikt. Om als
profwielrenner te kunnen slagen, moest je wel meedoen met de rest en gaan
gebruiken”. Hij pinkte nog een traantje weg. En werd vervolgens
uitgekotst door de wielerwereld. Hij zorgde er wel voor dat veel van zijn
voormalige collega’s gehoord worden in Oostenrijk over de bloedbank
Humanplasma, die hij zelf ook bezocht. Common-practice in het wielrennen… Groepjes renners wachtten bij de tegenoverliggende
MacDonald’s op hun beurt in de Oostenrijkse dopingkliniek, verklaarde Kohl.
De teams pushen het gebruik van doping niet (meer), zegt Kohl. De
renners doen het op eigen houtje. Met alle gevaren van dien. Kohl begon zelf
trouwens al op zijn 19e met verboden middelen, waardoor zijn
bewering te gebruiken onder druk van de massa bij de profs niet zozeer
opgaat. Kohl nam al een spuit met groeihormonen tijdens zijn sportopleiding
bij het Oostenrijkse leger. Hij werd een reguliere gebruiker vanaf 2005, zijn
menu: EPO, groeihormonen, insuline, testosteron. Kohl gaf zelf aan zeker 200 keer gecontroleerd te zijn,
voordat hij voor het eerst werd gepakt in 2008. Toch viel in het peloton wel
op dat hij een vreemde eend in de bijt was. Garmin-ploegleider Jonathan
Vaughters verklaarde in een interview met Maarten Scholten van het NRC
dat hij Kohl op een bepaald moment naar Garmin wilde halen. Hij vroeg om
inzicht in zijn biologisch paspoort. Renners vragen dan altijd het UCI hun
cijfers vrij te geven. Niet Kohl. Die liet zijn manager de gegevens
aanleveren. Reden voor Vaughters om Kohl direct te wantrouwen en niet te
contracteren. Vaughters geeft leiding aan een zelfverklaarde dopingvrije
ploeg, die bloedwaarden van renners publiceert en tv-teams achter de schermen
toelaat tijdens rondes. Saillant detail voor ons Nederlanders is dat Kohl later
Raborenners aanwees, met als gevolg dat zij voor het gerecht werden geroepen.
Als getuigen. Kohl reed alleen in de jeugdploeg voor Rabo en verklaarde dat
daar niet gebruikt werd. Hij loofde het team over de naleving van hun eigen
code en het opvoeden van de jeugd in een schone sport. De Rabobank heeft als
hoofdsponsor ook een code ingesteld voor het profwielerteam. Eentje waarbij
het voortbestaan van het team op losse schroeven zou komen te staan, als er
gebruikt werd. Toch is over de affaire met de Deen Rasmussen nog steeds niet
alles bekend. Rasmussen had nog 4 dagen te gaan met 3 minuten voorsprong op El
Pistolero, op weg naar een Tour-overwinning in 2008. Rabobank verwijderde
hem uit de Tour, omdat hij had gelogen over zijn verblijfplaatsen buiten het
seizoen. Volgens geruchten werd Rasmussen onder druk van de organisatie uit
de Tour genomen. Het leverde Alberto Contador een eenvoudige eerste
Tour-overwinning op. En de geruchten over dopinggebruik door andere
Rabo-renners blijven opduiken, van tijd tot tijd. Mart Smeets kreeg onlangs
in zijn boek “Het laatste geel” verschillende coryfeeën uit het
verleden aan het praten. Mannen als Steven Rooks, Gert Jakobs en Matthieu
Hermans gaven het gebruik van de dopingvariant EPO toe. Toendertijd was het
middel niet verboden, althans als je hermatocrietwaarde (hoeveelheid rode
bloedlichaampjes) maar niet boven de 50 kwam. Een hoge grens. Een
uitnodiging tot gebruik in die tijd. Ook omdat vanwege de vele Italiaanse en Spaanse
overwinningen de Nederlanders en Belgen in eigen land tot ‘patatgeneratie’
werden betiteld. Je moet gebruiken om mee te kunnen. Blijkbaar. In die tijd.
Maar nu toch niet meer? Kohl wordt niet alleen verguisd, maar ook gesteund… Maar ook een anekdote over de Tour-revelatie van 2009;
Bradley Wiggins, laat zien dat er tot kort geleden onder de renners een
verwachting leefde dat vrijwel al hun collegae van verboden middelen
snoepten. Wiggins haat ‘dopies’ en kent een carričreverloop, waarbij
een eerlijke inborst een voorwaarde lijkt te moeten zijn. Na zijn vele
prijzen op de baan belandde hij in een hevige depressie en hij dronk
vervolgens elke dag de complete drankvoorraad in zijn lokale pub weg.
Hij hervond zijn plezier in het wielrennen door op de weg te gaan koersen. In
de Tour van 2007 ‘mocht’ hij echter ineens naar huis doordat zijn
Cofidis-ploeggenoot Moreni doping had gebruikt. Wiggins zwoor nooit meer de Tour te willen rijden. Hij
wilde zover mogelijk verwijderd zijn van die dopingwereld. Volgens een
artikel in Sportweek veranderde hij van gedachten toen hij in de Tour
van 2008 Christian VandeVelde mee zag doen in de top van het klassement.
Manon Colson schrijft: “Voor hem het bewijs dat een schone renner kan
presteren in de Tour.” Wiggins stapt over van Team Columbia naar
VandeVelde’s Garmin. Hij verbeterde zich behoorlijk ten opzichte van de enige
Tour, die hij voor deze editie uitreed. In 2006 werd Bradley Wiggins 123e
in de Tour de France. Kohl’s bewering dat het hele peloton gebruikt lijkt wel
erg overtrokken te zijn. Ondanks dat zal het dopingimago dat aan de sport
kleeft niet zomaar loslaten. De paspoorten van renners, waarin bloedwaarden
worden bijgehouden geven het publiek al wat meer vertrouwen in schone races.
En in de Tour van 2009 werd tot dit moment nog niemand betrapt op het gebruik
van doping, al zijn er enkele verdachte gevallen geconstateerd. Volgens Maarten Scholten van het NRC kwamen de
ploegleiders van de grote wielerploegen in 2005 bij elkaar om dopinggebruik
af te zweren. Gebruik dat zij in de jaren ervoor steeds juist in gang hadden
gezet. Nu bespraken ze hun renners en hun twijfels en angsten over het
gebruik van doping. Namen werden genoemd van renners, behalve door aanwezige
CSC-baas Bjarne Riis. Hij steekt zijn handen in het vuur voor zijn selectie
renners. Toch lijkt het verbond al bijna direct gebarsten te zijn.
Bjarne Riis begeleidde als deelnemer aan het overleg de zondaar Lombardi als
CSC-renner in de Giro van 2006. Lombardi had kopman Basso aan de titel weten te helpen
door opvallende progressie te boeken als klimmer in die ronde. Te opvallende
progressie, vonden andere ploegleiders. Basso’s naam dook later op in ‘Operacion
Puerto’, samen met medekanshebber Jan Ullrich. De Duitser werd net als
Basso naar huis gestuurd vlak voor de aanvang van de Tour van 2006, waarbij
hij voor T-Mobile reed. Twee dagen later al zouden teamgenoten van Ullrich,
onder begeleiding van de ploegartsen weer illegale bloedtransfusies hebben
ondergaan in de kliniek van de Universiteit van Freiburg. Wat zijn de woorden
van de ploegleiders dan eigenlijk waard? Dopinggebruik duikt op in alle sporten… Bleef het wielrennen in 2009 even redelijk buiten schot,
dan steekt het dopingspook wel weer ergens anders de kop op. Het omstreden
bloed- of biologisch paspoort dat al zo veel wielrenners nekte gaf de aanzet
tot een controverse. Toen Claudia Pechstein onlangs verdacht bleek te zijn van
het gebruik van verboden stimulerende middelen ging er een ander sentiment
leven onder sportliefhebbers. Een sentiment, waarbij iedere profsporter, in
iedere topsport, indirect een verdachte werd als hij of zij dat al niet
allang was in de ogen van het gemiddelde tv-publiek. Want het schaatsen, dat was toch zo’n beetje de meest
pure sport op deze planeet? Mispoes. Het voordeel van het gebruiken van doping is het grootst
bij de zeer explosieve sporten en bij duursporten. Als toeschouwers in het
stadion zouden we wel erg naďef zijn, als we dachten dat de jongens en
meisjes op het ijs daar voor altijd verschoond van zouden blijven. De ISU
(internationale schaatsbond) zegt Pechstein betrapt te hebben op het gebruik
van bloeddoping. Pechstein wordt in haar strijd tegen de veroordeling
krampachtig verdedigd door de Duitse schaatsbond. Pechstein mag niet bij voorbaat al veroordeeld worden.
Aan het veroordelen van sporters door geconstateerde verhoogde bloedwaarden
in het biologisch paspoort kleven nogal wat nadelen. De methode is bepaald niet feilloos en levert slechts
indirect bewijs op. Dr. Klaas Faber is een bekende criticast van de methode.
Daarover meer in deel 2 van deze serie over dopinggebruik door topsporters.
Of Pechstein nu schuldig wordt bevonden of niet, het schaatsen is hoe dan ook
een ‘besmette’ sport. Net als al die andere sporten. In 2001 werden bij
Dimitri Shepel te hoge bloedwaarden gemeten en Angelika Kotyuga werd in 2005
betrapt op het gebruik van testosteron. Dopinggebruik is van alle tijden… Dopinggebruik. We moeten er gewoon normaal over doen en
er normaal over praten. Gebruikende topsporters zijn niet per definitie
criminelen. Ze zijn soms oneerlijk, tonen geen sportsmanship, of zijn
zelfs slachtoffer van een middel of een omgeving. Het gebruik van
stimulerende middelen is geen tijdelijke ziekte en soms zelfs geen
schadelijke. Stimulerende middelen zijn lang niet altijd verboden of
competitie-vervalsend. Soms komen ze meegewaaid met de lifestyle en
het overheersende modebeeld van de nieuwe generatie en maakt deze haar tot
gemeengoed in de periode dat zij aan de macht is (denk bijvoorbeeld aan
cannabis- en cocaďnegebruik door de topsporters van vandaag). Al sinds de mensheid sport, gebruikt men stimulerende
middelen om tot betere prestaties te komen. En niet alleen de mensheid. Ook
sportende dieren maken gedwongen gebruik van (verboden) stimulerende
middelen. De Duitse Isabelle Werth werd schuldig bevonden aan het toedienen
van doping. Voor het gemak houden we het hier bij de mens en zijn simulerende
middelen. Soms onschuldig, soms gevaarlijk. Soms legaal, soms
illegaal. Soms zijn stimulerende middelen technologisch van aard
(bijvoorbeeld bij attributen), soms gaat het om medische producten. De
volledige omvang van het totale gebruik aan verboden middelen door
topsporters zal echter nooit te achterhalen zijn. Methoden van controle zijn
namelijk altijd imperfect gebleken en lopen achter op de nieuwste
ontwikkelingen. Maar wat als de sporters afhankelijk van dieren zijn?
Doping en dieren: dit jaar werd het paard van de internationale springruiter
Jurgen Stenfert betrapt op doping. Het eerste Nederlandse dopinggeval in de
springsport, volgens De Telegraaf. Het paard in kwestie, BMC Sarina,
had het kalmeringsmiddel reserpine in het bloed. Stenfert wijst in de
Telegraaf met de beschuldigende vinger naar een leerling-trainer op stal,
die het middel uit wraak zou hebben toegediend. Stenfert maakt samen met o.a.
oud-Olympisch kampioen Jeroen Dubbeldam deel uit van het BMC-team. Dit geval
van dopinggebruik kan de vergelijking weerstaan met de technologisch
hoogwaardige hulpmiddelen. ‘Wedstrijdattributen’ als paarden en zwempakken
kunnen voor een vergelijkbare ongelijke strijd zorgen als medische
dopingmiddelen. Discussie: Dopinggebruik vrijgeven? Er gaan al sinds lange tijd stemmen op om dopinggebruik
in de sport dan maar helemaal vrij te geven. Je zult altijd achter de feiten
aanlopen als het gaat om de controle. Als je doping vrijgeeft is de strijd in
de sport eigenlijk best eerlijk. Iedereen heeft evenveel kans op de
overwinning, gerelateerd aan het pure talent dat de sporter bezit. De
vertekening van de uitslag door dopinggebruik door enkelen is weggepoetst.
Iedereen gebruikt, de beste wint. Filosoof Marcel Zuijderveld schrijft in het NRC over
Klasien Horstman, hoogleraar filosofie en ethiek van bio-engineering, die voor een vrij
gebruik van doping pleit. Vanwege de onvermijdelijkheid van het gebruik en de
toenemende gezondheidsrisico’s, die kleven aan het gebruik in de
illegaliteit. Ze pleit voor een intensievere samenwerking tussen arts en
sportman. Met als uitgangspunt: prestatieverbetering, maar niet ten koste van
de gezondheid. Daarvoor is een onafhankelijke beroepsgroep van sportartsen
nodig, met protocollen, professionele integriteit en voldoende zelfkritiek. De column van Marcel Zuijderland in het NRC was geweid
aan Thomas Dekker, waarbij Zuijderland stelde: “Doping is onvermijdelijk”.
Thomas Dekker werd voorafgaande aan de Tour de France van 2009 geschorst
vanwege epo-sporen in een urinestaal uit 2007. Zuijderland schrijft: “Doping
en sport liggen in elkaars verlengde. Zolang het dopinggebruik medisch
verantwoord is, is er niets aan de hand. (….) Harde sancties lossen waarschijnlijk
niets op. Sport draait om het optimaliseren van de prestatie. Sporters zijn
altijd geďnteresseerd in technologieën, die hun prestaties bevorderen. Daar
vallen allerlei geavanceerde trainings-, voedings- en materiaaltechnieken
onder, maar ook chemische en biologische prestatieverhogende middelen. De
huidige strijd tegen doping is verworden tot een hopeloos kat-en-muisspel.
Telkens worden nieuwe middelen ontwikkeld die detectiemethoden te slim af
zijn. De lijst van verboden middelen wordt almaar langer, de detectiemethoden
navenant kostbaarder.” Zuijderland geeft verder aan dat de controle van sporters
op dictatoriale wijze gebeurd, ieder uur van de dag moeten ze hun
verblijfplaats bekendmaken. En in de toekomst zal de standaardisering van
gentherapie ervoor zorgen, dat sporters in een isolement gedrukt worden. De
WADA bepaalt dat gentherapie voor sporters verboden is, terwijl het niet
ondenkbaar is dat het gewone publiek er veelvuldig gebruik van zal gaan
maken. Dit verschijnsel van medicijnen toestaan voor het publiek en
uitsluiten voor de topsporter treedt nu al op bij een hormoon als epo dat ook
als regulier geneesmiddel wordt gebruikt. Lance Armstrong kreeg epo
toegediend als geneesmiddel tijdens zijn strijd tegen kanker, maar mag als
renner er geen gebruik van maken. Krom eigenlijk. “Moeten we dopinggebruik dan maar vrijgeven?” Vanuit ethisch en filosofisch standpunt gezien zeg ik u: (tweewerf) “neen!” Het is waar, dat de strijd tegen doping altijd een race
achter de feiten aan is. Net als de strijd van politie tegen georganiseerde
misdaad komt de industrie steeds met nieuwe en verbeterde alternatieven, die
korte metten maken met de huidige opsporingsmethoden. Dan maar vrijgeven
wordt er geroepen, je kunt toch niet controleren. En als iedereen wordt
toegestaan te gebruiken, is er geen ongelijke (en oneerlijke) strijd. Vanuit ethisch en filosofisch oogpunt zal
ik u aantonen dat het stellen van dopingdefinitie en controle op het gebruik
van bepaalde vormen van doping noodzakelijk blijft. Deel 1: Het gebruik van doping. Een ethische discussie: Vanuit de ethiek gezien weegt de norm dat sporters tegen
zichzelf beschermd moeten worden het zwaarst mee in de discussie. Sommige
stimulerende middelen zijn gevaarlijk voor de gezondheid van de sporter (op
korte termijn, op de lange duur, op latere leeftijd) en soms zijn
effecten op lange termijn op zijn minst onbekend. De drang om betere
prestaties te leveren drijft de sporter vaker dan evenredig (in
vergelijking met de normale populatie) richting verboden en soms
gevaarlijke stimulerende middelen. Middelen die worden verkregen ‘in de
illegaliteit’. Maar het vrijgeven van gebruik zoals Klazien Horstman bepleit
is geen optie. Ondanks dat artsen sporters kunnen begeleiden bij het gebruik
van ‘gezonde’ doping zullen er altijd zwarte schapen in de beroepsgroep zijn
die voor atleten gif blijven mengen. Er is ook meer te winnen met het nemen van risico’s voor
de profsporter, als het gaat om roem, status en financiën. Hoe kun je van een
18-jarige knul verwachten dat hij zich zorgen maakt om zijn gezondheid op
zijn 50ste levensjaar, als hij volgend jaar in een Ferrari kan
rijden met behulp van een dopingproduct. Maar de meest belangrijke risicofactor die ten grondslag
ligt aan het overtreden van de dopingregels is het karakter van de gemiddelde
topsporter. Een karakter dat vatbaarder is voor verslavingen en een
eenzijdige focus, dan dat van de gemiddelde medemens. Een karakter, dat door
de roem die bij het topsportleven hoort, onevenredig veel vaker
geconfronteerd wordt met externe prikkels, die het hoofd geboden moeten
worden om prestaties te kunnen leveren. In een veel grotere mate en met meer
impact dan het geval is bij een kantoormedewerker. Een snel leven, met veel verleidingen, of juist een monotoon
bestaan door de vele trainingsuren. Het leven van wedstrijd naar wedstrijd,
terwijl verlies en winst razendsnel verwerkt moeten worden, is te vergelijken
met een emotionele achtbaan. Of juist het isolement van het terugkeren na een
blessure. Waaraan het af en toe fijn is even te kunnen ontsnappen. De
manische focus op het eigen presteren maakt relaxen of vluchten soms tot een
moeilijke taak. En dan liggen er middelen op de loer, die helpen ontsnappen
aan de realiteit of het zelfvertrouwen of de prestaties opkrikken. Het belang van de gezondheid van de sporter weegt in deze
ethische discussie zwaarder dan het argument van de gelijke strijd in de
sport door doping vrij te geven. Sportbonden hebben een verantwoordelijkheid
voor het imago van de sport en het well-being van de aangesloten
sporters. En dus moeten ze controleren op schadelijke en op oneerlijke
wijze prestatieverhogende stoffen om
sporters tegen zichzelf te beschermen en een eerlijke competitie blijvend
mogelijk te maken. Mijn vermoeden is, dat het dopinggebruik zelf, door topsporters bovendien een verslavende werking heeft. Een eenmalige boost heeft ook weinig zin. Ik schat in dat ‘de gemiddelde topsporter’ door zijn of haar karakter gevoeliger is voor verslaving dan ‘de gemiddelde aardbewoner’. Door onzekerheid, door een leven vol routine, door de emotionele achtbaan van winnen en verliezen, door het gevoel geleefd te worden bij tijden, door druk van media en publiek, door het verlangen soms te willen ontsnappen, ontspannen of verbeteren, liggen vormen van verslaving op de loer. Of juist door een sociaal isolement dat gecreëerd wordt om te presteren. Zo komt een sporter mogelijk geheel in de macht van een coach of makelaar, die hem beďnvloedt tot het gebruik van doping. Een risico bij de topsporter is het uit het oog verliezen
van de ‘natuurlijk’ grenzen in de sport en die van het eigen menselijk
lichaam. Door deze maximaal te overschrijden. Als voorbeeld, Steven Rooks
tegen het AD over het EPO-gebruik van bijvoorbeeld een voormalige topper als
Bjarne Riis: “Pas later is daarop ingegrepen. (Excessief
dopinggebruik, meestal bloed/zuurstof-neinvloedende middeln. Rooks: “De
maximale hematocrietwaarde van vijftig werd ingevoerd. Sommigen zaten
richting de zestig. Volgens mij ben je dan gek. Als je hoort waar Bjarne Riis
(Tourwinnaar 1996, red.) mee rond reed. Dan was ik nog maar een watje.’’ Er bestaat altijd een druk om te winnen en onzekerheid of
de training en voorbereiding voldoende waren. En winst is in de meeste
sporten slechts voor een enkeling weggelegd. Voor de achtervolgers ligt dan
altijd een verslaving op de loer, die van het wegvluchten uit de realiteit,
het intensiveren of veranderen van training of (sociale) omgeving en die van het verslaafd raken aan
stimulerende middelen. De nummer 1 moet van de troon gestoten worden door de
achtervolgers. Met alle mogelijke middelen. Want accepteren dat het optimale
niet meer haalbaar is, is geen optie voor de meeste sporters. Maar ook de nummers 1 hebben het niet altijd makkelijk.
Ook bij hen liggen de gevaren van misbruik van substanties op de loer. Want
de nummer 1-positie behouden is lastiger dan deze veroveren. Onder druk van
het publiek moet het onaantastbare imago gehandhaafd blijven. Om schoenen te
kunnen blijven verkopen. Om fans naar het stadion te blijven trekken. Of denk
als motivatie voor dopinggebruik aan het dreigende zwarte gat na het
sportpensioen. Of het gevaar ligt in het onverantwoorde stoom afblazen: om de
talloze overwinningen op gepaste wijze te kunnen vieren tijdens de carričre.
Met Jan en Alleman in het café. Daar waar je ‘echte’ vrienden zitten. Zolang
je wint. De verboden middelen worden dan niet genomen om de prestaties te verbeteren, maar zij zijn opgenomen in de levensstijl van de sporter of ze zijn onderdeel van weer een andere vorm van vluchtgedrag. Ik wil nu NIET heel hard “Yuri van Gelder” roepen. Dus schrijf ik het maar. Fijn om te horen, dat de instanties die hem lieten vallen
hun handen nu niet van hem aftrekken om hem te helpen met zijn cocaďneprobleem.
Yuri raakte zijn sponsoren, zijn baan bij het leger, zijn laatstbehaalde
titel, zijn toegang tot topsportfaciliteiten en wedstrijden en zijn goede
naam kwijt. Van Gelder wordt door velen gezien als een geval op zich. En dat
tekent het onterechte geloof in de kwaliteit van opsporingsmethoden en het
onderschatten van factoren die dopinggebruik in de hand werken. Die bepalende factor bij Van Gelder: een mentale factor,
bijvoorbeeld door het bewaren van de controle tijdens het uitgaan. Om Marc
Hoeben in Sportweek aan te halen: “Wie in dit soort situaties denkt
dat het gaat om incidenten is behoorlijk naďef. Van Gelder nam het, net als
Tom Boonen, niet zo nauw tijdens stapavondjes.” Hoeben schets het beeld
van de topsporter die jarenlang werd doodgeknuffeld, larger-than-life
ging leven, zich geen raad wist met zijn nieuwe maatschappelijke status en
(mede?) daarom dubbel zo hard van zijn voetstuk viel toen het misging. Het wrange is, dat het middel dat Van Gelder en Boonen
gebruikten niet of nauwelijks prestatiebevorderend werkt in topsport. Een
middel dat voor gewone burgers vaak straffeloos verkrijgbaar en te gebruiken
is. Als werkgevers in Nederland op maandagmorgen dezelfde test die Yuri moest
ondergaan bij hun werknemers afnemen, zouden we dit jaar helemaal gaan
knallen met die werkeloosheidscijfers. Ook de omgeving en organisatie die
sporters moet stimuleren tot het leveren van prestaties geeft soms het
verkeerde voorbeeld. Clubs liegen over transfers en interne aangelegenheden
en bonden stellen zich huichelachtig op als het gaat om falende
controlemethoden en het zelf door de vingers zien van geconstateerd misbruik
in het verleden. Yuri van Gelder liep zich al sinds 2006 in de kijker met
zijn cocaďnegebruik, in ieder geval bij de atletiekbond. Vanwege een ontslag
bij defensie bij aangetoond dopinggebruik kneep men een oogje toe. De acceptatiegraad van het gebruik van verboden
stimulerende middelen door sporters zal ook hoger zijn dan onder ‘de gewone
burgers’ door de prestatiedrang van de topsporter. De topsporter heeft
tenslotte echt wat te winnen. De rest van ons krijgt toch elke maand wel
betaald. En precies hetzelfde bedrag, of je het nu aardig deed of heel goed,
deze maand. De topsporter zweert na enige tijd bij het stimulerende middel,
omdat het brood op de plank brengt. Of zelfs beter beleg. Omdat het middel
helpt om het hoofd boven water te houden of de ultieme top te bereiken. Of
het helpt gewoon om actief te mogen blijven in de geliefde sport. Om als
topsporter te kunnen blijven leven. Al is er alleen maar sprake van een instant-placebo-effect, om het zelfvertrouwen op te vijzelen. Voor net dat kleine beetje meer. Eventuele schade op latere leeftijd wordt op de koop toegenomen, om een droom te kunnen verwezenlijken of omdat men geen opties ziet voor zichzelf buiten het sportleven. Een topsport-karakter kan OOK een handicap zijn Ondanks de zekerheid die onze sporthelden uitstralen bij
een overwinning: de weg ernaar toe is meestal een strijd tegen de eigen
onzekerheid over eigen kunnen. Per definitie is de topsporter onzeker of een
beetje gek, gestoord of tenminste met kenmerken van maniakaal gedrag. Soms is
hij in vergelijking met de gemiddelde aardbewoner een complete rariteit. Een
fysieke freak. Neem iemand met een bovenmenselijke snelheid, zoals
Usain Bolt. Of een topatleet met de lengte en bulk van de basketballer
Shaquille O’Neal. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de
tengere specialisten: jockey’s op paarden. De topsporter heeft een maniakale liefde voor de sport en
ditto focus en drang tot presteren. Anders had hij of zij de top
namelijk niet gehaald. Je moet je onzeker voelen over alle aspecten van je
spel en de wedstrijd, om te herkennen wat er nodig is om de beste te kunnen
zijn. En dat vervolgens ook nog in praktijk brengen. Iedere dag weer, in
moordende trainingssessies. Het vraagt een behoorlijke mate van het tonen van
instant-energy en relativeringsvermogen ten opzichte van de
belevingswereld van de gemiddelde landgenoot zonder topsportleven om jezelf
steeds maar weer volledig te kunnen analyseren, af te breken en weer van de
grond af op te bouwen om te blijven presteren. Veel sporters zijn bijgelovig (zie: voetballers en
kleedkamerrituelen), sommigen goedgelovig (zie: Bernard Kohl),
maar ze hebben tenminste een routine waar ze in meer of minder maniakale vorm
aan vasthouden. En dat levert een andere risicofactor voor verslaving op in
het karakter van de topsporter. Wanneer zij toegeven aan het gebruik van
verboden stoffen en legale stimuli, die hun prestaties kunnen verbeteren,
worden deze onlosmakelijk opgenomen in de wedstrijdvoorbereiding- en
trainingsroutine. Het verslavingsgevaar komt wederom om de hoek kijken. Zeker
als er voldoende voorbeelden voorradig zijn van medesporters, die met het
gebruik wegkomen. Uiteindelijk ga je geloven dat je moet gebruiken om aan te
kunnen haken. De af en toe geestdodende routine van het trainen om
beter te worden zorgt voor een wens om te ontsnappen aan de realiteit door
middel van stimulerende middelen, als escapisme. Waarna ook verboden middelen
die prestaties stimuleren wellicht gemakkelijker in beeld komen. En naar mate
deze middelen steeds meer opgenomen worden in de dagelijkse routine, kom je
er moeilijker vanaf en kan het gebruik toenemen of de dosis steeds worden vergroot.
Het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken deed samen
met TNO onderzoek naar “de gedragsdeterminanten van het gebruik van
dopinggeduide middelen onder topsporters” en evalueerde tevens het
antidopingbeleid in Nederland. Gedragsdeterminanten zijn factoren die gedrag
bepalen. Een conclusie van het onderzoek, gehouden onder
topsporters, was dat teamsporters gevoeliger zijn voor de verlokking van
dopingmiddelen dan individuele sporters, vanwege onderlinge beďnvloeding.
Mannen, niet-Olympiërs en oudere topsporters zijn meer geneigd doping te
gebruiken, in vergelijking met vrouwen, Olympiërs en jongere topsporters.
Naarmate sporters vaker gecontroleerd worden op doping bouwen ze hun kennis
over het onderwerp op en schatten ze het risico om betrapt te worden hoger
in. Onder sociale druk van teamgenoten is het aannemelijk dat sporters
sneller geneigd zullen zijn verboden middelen te nemen, zeggen de
onderzoekers. Omgevingsfactoren spelen mee en vormen sporters… Naast het karakter van de topsporter zijn natuurlijk
factoren in de directe omgeving van groot belang als het gaat om de
geneigdheid om doping te gebruiken. En die omgevingsfactoren verschillen
natuurlijk per sport en per sporter. Dopinggebruik komt in de ene sport meer
voor dan de andere. Uit het TNO/NCD-onderzoek bleek al dat sporters elkaar in
verregaande mate beďnvloeden en actief op zoek gaan naar gelijkgestemden.
Daarom is het interessanter om te kijken naar overeenkomende
karakterkenmerken bij sporters, dan de verwachte kans dat sporters in
aanraking komen met stimulerende middelen per tak van sport. Maar als het gaat om de omgeving bij veel sporten kan
gesteld worden dat een zekere mate van sociaal onaangepast of crimineel
gedrag vertoond door officials en instanties een gegeven is binnen een groot
aantal professionele sporten. Denk aan fraude door bestuursleden. Het omkopen
van teams, spelers of scheidsrechters. Het gokken op eigen wedstrijden. Het
aanprijzen van doping bij sporters door begeleiders die er beter van hopen te
worden. Als je als jonge topsporter nog bezig bent met opgroeien zal je
omgeving je zeker nog vormen. Zoals ook het vertellen van onwaarheden geaccepteerd
wordt in de sportwereld. In het reguliere leven is het not done om te
liegen. In de sportwereld wordt het normaal gevonden als een official liegt
over een aanstaande transfer. Of een hypocriete wereldzwembond die ongewenste
zwempakken pas verbied na een toernooi in een land, wiens nationale bond de
pakken sponsort (WK in Rome, 2009). Berichtgeving in de sport is vaak
speculatief van aard, waardoor sporters soms als opgejaagd wild worden
bestookt met vragen in een zoektocht naar de waarheid. Factoren die niet
bepaald bijdragen aan een stabiele omgeving voor de sporter. Als we weer kijken naar algemeenheden in sportkarakters
mag ook de neiging om risico’s te nemen (bijvoorbeeld met de eigen
gezondheid) niet vergeten worden. De neiging om risico’s te nemen licht
aanzienlijk hoger bij topsporters dan bij het gemiddelde publiek. Ze
investeren veel tijd en moeite om succes te behalen. Als er dan risico’s
genomen moeten worden om de beloning te ontvangen, is de keuze snel gemaakt.
Zeker als je op oudere leeftijd als topsporter moeite hebt om aan te haken
bij de jongere garde. Dan heb je even een boost nodig, om er alles er
nog uit te halen zolang je nog actief sport. Natuurlijk zijn al deze beweringen generalisaties. Het
merendeel van de oudere sporters vindt het nog prachtig om deel te kunnen
nemen. In feite om rustig afscheid te nemen van de sport die hen zoveel bracht
en had gebracht. En om alvast te wennen aan het idee van een leven zonder
actieve sportdeelname op het hoogste niveau. Maar we kennen ook de
voorbeelden van hen die in het ‘zwarte gat’ vielen en daar nog steeds
bivakkeren, niet instaat om zichzelf te her-programmeren na een succesvol
sportleven. De tunnelvisie van het sportleven lijdt dan tot zelfdestructie na
het beeindigen van de sportcarričre. Een dergelijk sportkarakter was
natuurlijk ook tijdens de carričre al vatbaar voor verleidingen en wellicht prestatieverhogende
middelen. Paul Gascoigne vulde de dagen na zijn actieve carričre
volgens eigen zeggen volledig met “drinken en bowlen op de Nintendo Wii”,
aldus een quote in het AD. De Engelse ex-voetbalprof was volledig de weg
kwijt en belandde in februari 2010 nog in de cel voor zijn dronken
praktijken. Belde zijn vader vanuit een hotelkamer, midden in de nacht, om
hem te vragen zijn koffers te pakken: “We gaan naar New York om in Madison
Square Garden tegen president Bush en Bill Clinton te schaken”. Gascoigne
had zelf thuis niet eens een schaakbord. Hij had wel twee speelgoedpapegaaien
gekocht, die herhalen wat je tegen ze zegt. Op een gegeven moment was hij
ervan overtuigd dat de beesten echt waren: “Op mijn kamer bestelde ik dan
drie glazen bier, een voor mij en twee voor hen”. Later probeerde Gazza zelfmoord te plegen, zijn poging
mislukte en hij werd opgenomen in een kliniek. Hij kreeg er drie keer een
hartstilstand te verwerken, maar de behandelingswijze met onder meer het
praten met paarden had een gunstig effect op zijn drankgebruik. Toch dook hij
onlangs alweer op in de media met verhalen over drankproblemen. Engelsen
vrezen voor zijn vroegtijdige overlijden als hij hiermee doorgaat, of gaan
juist weddenschappen aan over de nabije medische gesteldheid van de
voormalige topper. Dat de neiging om risico’s te nemen bij het gebruik van
doping door topsporters erg hoog ligt bewijzen de uitkomsten van onderzoek in
Amerika, uitgevoerd door Goldman in 1984. Goldman ondervroeg zo’n 200 topsporters, die vooral uit
de krachtsporten en krachtnummers uit de atletiek kwamen. Hij vroeg ze of ze
een pil zouden nemen, die niet te detecteren valt, hun prestaties zal
verbeteren zodat ze een jaar lang alles zullen winnen, maar die er tevens
voor zorgt, dat ze na vijf jaar zullen sterven. 52% van zijn steekproef zei
de pil te zullen willen nemen. In het TNO/NCD-onderzoek zegt slechts 6% op
een dergelijk voorstel in te willen gaan. In dit geval zijn de methoden van
onderzoek en het gevoel van geborgenheid om eerlijk te spreken natuurlijk
zeer van belang. Tegen TNO gaven sporters buiten de reguliere vragen om
eerlijk aan het moeilijk te vinden “Nee!” te blijven zeggen tegen
doping als concurrenten er successen mee behalen en niet tegen de lamp lopen.
Terug naar Ben Johnson, die een comeback wilde maken… Topsporters zijn extra vatbaar voor doping-verlokkingen,
we moeten ze tegen zichzelf beschermen voor hun gezondheid. Een mooi voorbeeld van de bovenstaande stelling komt van
de eerder aangehaalde Ben Johnson. Na alle hoon, die hij over zich heen had
gekregen door zijn gebruik van anabole steroďden tijdens de Olympische Spelen
van 1988 in Seoul, werd hij wereldwijd en in zijn eigen land Canada beschouwd
als paria. Ik hoor u denken: “Je zou toch verwachten, dat als Ben Johnson een
come-back zou plannen, na uitgekotst te zijn door de hele wereld vanwege
dopinggebruik, hij er verder een vroom leven op na zou houden? Een schoon en
respectvol vervolg aan je carričre geven, je naam zuiveren, de sport eren en
nog meer van dat zulks? Als hij mentaal en fysiek zo sterk is om de top weer
te bereiken, dan moet hij toch een toonbeeld van topsportdiscipline kunnen
zijn? ” Mispoes. U maakt een misrekening als het gaat om het
onverbeterlijke karakter van sommige topsporters. Denk weer aan Yuri van
Gelder, die al sinds 2006 zijn lijntjes snuift, zijn gedrag niet verborgen
kon houden en daarna simpelweg niet bij machte was een schorsing te kunnen
ontlopen.. Zelfs na het volgen van een programma van de begeleidende sportbond
om hem op het juiste pad te brengen. Hij zette zijn droom, zijn baan, zijn
sponsors en zijn imago willens en wetens op het spel om zijn levensstijl te
kunnen continueren. En inderdaad, ook Tom Boonen liep meerdere malen tegen de
lamp. Beide heren wisten dat aangetoond cocaďnegebruik tot een veroordeling
zou lijden, toch bleven ze innemen. En ze zijn niet de enigen. Ook Ben bleek onverbeterlijk. Ben Johnson ging in 1991 weer internationale wedstrijden
lopen, maar behaalde er maar weinig succes mee. In 1992 reikte hij tot aan de
halve finales in Barcelona tijdens de Olympische Spelen. In 1993 werd hij
voor de tweede maal op dopinggebruik betrapt tijdens een wedstrijd in
Montréal. De wereldwijde atletiekbond IAAF legde hem nu een levenslange
schorsing op. De Canadese Minister van Sport stelde zelfs voor, dat Johnson
maar weer naar Jamaica moest verhuizen. Wat leren we van Ben Johnson? De dreigende valkuil van de topsporter: er kan er maar
een de beste zijn en de rest probeert op alle mogelijke manieren om hem of
haar van zijn of haar troon te stoten. Goedschiks of kwaadschiks. Legaal, dan
wel illegaal. Topsporters die er vatbaar voor zijn, verliezen alle grenzen
uit het oog. En daarom dienen de vertegenwoordigende sportbonden kaders te
stellen, waarbinnen de sporters kunnen opereren zonder gevaar voor hun
geestelijke en fysieke gezondheid. Beste topsporter: Wanneer je in de verleiding komt tot het nemen van een
verboden stimulerend middel: denk dan even aan Ben Johnson. Hij werd door de
wereld uitgekotst kort na zijn finest-moment op de Olympische Spelen van
1988. Hij maakte zijn come-back, maar stootte zich onherroepelijk aan
dezelfde steen. Daarna woonde hij gedurende de jaren ’90 in de kelder van
zijn moeder. Hij las er strips en keek Roadrunner. Hij betaalde de huur door
zijn Ferrari af te geven. Denk aan mannen als Paul Gascoigne, George Best, Frank VanDenBrouke en Marco Pantani. Mannen die de top in hun sport wisten te bereiken, maar mentaal niet sterk genoeg waren om de roem of een gezonde invulling van het leven na de sportcarričre een plaats te geven. Zorg dat je betrouwbare ankers om je heen hebt, die je ten allen tijde duidelijk kunnen maken wat echt belangrijk is in het leven en die je met beide benen op de grond kunnen zetten. Zeg nee tegen dope. Voor een schone sport. En een gezond leven. Deel 2: Het gebruik van doping. Een filosofische discussie: Ook vanuit het oogpunt van de filosofie moet het
gebruiken van doping door sporters verboden blijven. In de toekomst zouden er maatschappelijk
ongewenste situaties kunnen ontstaan door dopinggebruik. Bijvoorbeeld doordat
door de hoge prijs van een stimulerend middel, slechts de allerrijksten
erover zouden kunnen beschikken. Met als resultaat een ongelijke strijd. En
sport moet eerlijk zijn. Iedereen moet een gelijke kans op de overwinning
hebben, waarbij alleen factoren als talent, doorzettingsvermogen, geleverde
trainingsarbeid etc. bepalend mogen zijn. Overwinningen mogen nooit te koop
zijn. In de toekomst zouden er medisch onverantwoorde
situaties kunnen ontstaan. Dit haakt aan bij de ethische discussie. Sport mag
natuurlijk nooit een strijd worden tussen degenen die het meeste risico
durven te nemen met hun leven. Een leger aan arme sloebers uit Afrika zou
zich eerder gedwongen kunnen voelen een gevaarlijk goedje te nemen, om via
sport de levensomstandigheden te verbeteren, in vergelijking met de verwachte
terughoudendheid van de gemiddelde Westerling met de hogere levensstandaard. De grootste gek, of beter: degene die het meest te verliezen
heeft, gezien vanuit maatschappelijk oogpunt, wint de wedstrijd, want hij
neemt de meest giftige, maar meest prestatiebevorderende middelen. Laten we de filosofische discussie eens in een voorbeeld
gieten, om het filosoferen door u als bezoeker te stimuleren en te bepalen
hoe we sport definiëren. U zou zichzelf de volgende vragen kunnen stellen: Wat is sport voor ons? Wat betekent het voor ons en voor
onze maatschappij? Hoe willen we dat sport er in de toekomst uitziet en
beoefend wordt? Wat moet er vastgelegd worden? Welke stimulerende stoffen,
technieken, technologie en materialen willen we verbieden? En hoe willen we
dat gaan controleren en handhaven? Een concreet probleem in een concrete sport TobSport introduceert een vrij vergezocht stimulerend
middel in een theoretische discussie, als een concreet voorbeeld, waarbij een
maatschappelijke ontwikkeling gedefinieerd zal moeten worden in toekomstige
doping-discussies en vertaald zal moeten worden in reglementen van beleid en
handhaving: TobSport-stelling: “Stel dat er beenprothesen ontwikkeld worden, die zorgen
dat je hoger springt dan de mens met het ideale reguliere sportbeen.
Paralympics-deelnemers zouden massaal hoogspring-records gaan vestigen op
atletiekevenementen. “ Vanuit filosofisch oogpunt zou je kunnen stellen dat het
uitsluiten van de prestaties van de adoptanten van kunstbenen oneerlijk is.
Ze zijn hun ledemaat hoogstwaarschijnlijk tegen hun zin kwijtgeraakt en mogen
ethisch gezien (ethische norm: geen discriminatie) derhalve niet uitgesloten
worden om het op te kunnen nemen tegen de besten in hun sport. Als de
prestaties op onderdelen van de deelnemers aan de Paralympics die van de
deelnemers aan de Olympische Spelen gaan overtreffen zit er natuurlijk iets
goed scheef. Atleten met prothesen beroepen zich op het
gelijkheidsbeginsel van de wetgever, onlosmakelijk verbonden met het begrip
‘sport’: gehandicapten zijn helaas nog vaak de ‘underdog’ in de
maatschappij, pak ze niet een van de weinige middelen af waarmee ze zich in
prestaties kunnen spiegelen aan de rest van de mensheid. Want hoezo oneerlijke concurrentie met kunstbenen? Ben ik geen mens, met een kunstbeen dan? Want vocht ik
niet voor het welzijn van de hele mensheid, tegen het terrorisme in de
Iraakse woestijn, toen ik mijn been verloor bij het exploderen van een
bermbom? Als ik vervolgens opgekalefaterd wordt en toch kan presteren, waarom
mag ik het dan niet aan de hele wereld laten zien op het hoogste podium?
Waarom zijn bepaalde podia voor mij off-limits, terwijl ik geen schuld
heb aan de staat van mijn lichamelijke gesteldheid en de kwaliteit van
regulier geďmplementeerde legale stimulerende middelen. Veroordeel mij niet
voor de stand van zaken binnen de wereld van de techniek. Techniek, die in de
buitenwereld bejubeld wordt leidt in de sportwereld tot uitsluiting. We gaan verder met onze theoretische case: in de
reglementen van definiërende sportbonden is over deelname aan evenementen met
(naar later blijkt: superieure) prothesen niets vastgelegd. De rechter
oordeelt, dat records, gevestigd door mensen met een handicap, gewoon geldig
zijn. En ze mogen aan alle reguliere evenementen deelnemen in de toekomst
(want de rechter zegt: geen discriminatie). Het gevolg? Sporters met handicaps veroveren de sport. Ze zijn
onaantastbaar voor degenen die zonder prothese door het leven gaan. Er worden
nog twee klassen ingesteld, maar het spektakel van de hoge sprongen met
kunstbeen, zorgt dat de reguliere hoogspringcompetitie van niet-gehandicapten
vrijwel geen aandacht meer krijgt. Na enige tijd weet niemand meer beter dan dat kunstbenen
van Philips Medical Equipment helemaal de shit zijn in het
seizoen 2025-2026 en dat je zonder prothese niet meekunt met bijvoorbeeld de
wereldtop in het hoogspringen. Het ongewenste gevolg van het erkennen van de records van
de voormalige Paralympics-deelnemers zou kunnen zijn dat gezonde jonge
mannen op jonge leeftijd vrijwillig besluiten een been te amputeren om er een
prothese voor in de plaats te zetten. Omdat zij net als Bernard Kohl zeggen
gedwongen te worden tot het adopteren van een stimulerend middel, om de
wereldtop te kunnen bereiken. Filosofisch discussiepunt: Moeten sporters met prothesen dan uitgesloten worden? Als je “ja” antwoordt, en daarna “kommop hee, belachelijk voorbeeld”…. Wat dan als er prothesen beschikbaar komen, waarbij niet
aangetoond kan worden dat ze in een menselijk lichaam aanwezig zijn? En wat als deze onzichtbare prothesen toch juist
ongekende super-human prestaties mogelijk maken? Wat als deze prothesen op de lange duur een ongekende
slijtage teweegbrengen op het lichaam en een verkorte levensduur
bewerkstelligen? Waar zijn we dan nog met ons huidige dopingbeleid van
pappen en nathouden? En hoe denken we over het toepassen van nieuwe
technologie in de sport? Want ook technologische mogelijkheden met betrekking tot
sport zullen net als stimulerende stoffen allen gedefinieerd moeten worden
als zijnde ‘gewenst’ of ‘ongewenst’. Wanneer ongewenste technologische
stimuli verborgen gehouden kunnen worden zijn zij in feite een vorm van
doping. De aanpak van doping als het gaat om lichaamsstimulerende stoffen en
technische vindingen door de wetenschap dient uit te gaan van dezelfde
uitgangspunten. Want wat als Nike een air-zool uitvindt die verbetering
van de records bij het hoogspringen met meer dan 10 centimeter mogelijk
maakt? Gaan we die zool dan verbieden, omdat alle oude records
dan niets meer waard zijn of gaan we altijd voor vooruitgang, om te gaan waar
we nog nooit geweest zijn? Steven Rooks trekt tegenover het AD een vergelijking
tussen EPO, nu beschouwd als doping en de stimulerende middelen van de
toekomst: “Het was toen niet verboden. Het was een middel om sneller te
herstellen, dat was goed voor je lijf. Ik heb er ook geen spijt van. Ik stond
toen voor de keuze en die heb ik gemaakt. Dan moet je later ook niet meer
zeuren. Epo had in die periode een heel andere lading dan vandaag de dag.
Vertaal het eens naar de situatie van nu. Stel dat er een herstelmiddel op de
markt komt, dat niet op de lijst staat. Is er dan een reden waarom je dat
niet zou gebruiken?’’
Want het eerste concrete, mondiale geval van een
technologische verbetering die het gelijkheidsbeginsel van de sport
ondermijnt diende zich al aan. U heeft allemaal wel gehoord van de nieuwste generatie
zwempakken waar wedstrijdzwemmers zich tegenwoordig in vertonen. De zwempakken maken het mogelijk lucht onder het lichaam
te vangen, waardoor zwemmers hoger in het water liggen en minder weerstand
ondervinden. Daarnaast werken ze als een soort korset waardoor de stroomlijn
van het lichaam verbeterd wordt. Wereldrecords sneuvelden dan ook bij de
vleet. Vanaf 2010 moeten alle pakken weer gewoon van katoen gemaakt worden en
is gedefinieerd hoe de vorm van een pak moet zijn. Maar in feite is het kwaad al geschied. De wereldrecords
gezwommen in de pakken blijven staan. Mogelijk wordt er een voetnoot bij
geplaatst. In de toekomst kunnen we dan toch weer genieten van de strijd
waarbij het zwemtalent en de trainingsinzet bepalend zijn en niet de
technologische wedloop om het beste zwempak. De zwempakken kunnen misschien
beter in zijn geheel afgeschaft worden voor de mannelijke zwemmers in faveure
van de good-old ballenknijper, met voor de dames een enkel
voorgeschreven neutrale materiaalsoort en vorm. Een toekomstige angstgegner voor dopingautoriteiten
zijn de mogelijkheden die gentherapie gaat bieden. Gendoping gaat het hele
dopingbeleid zoals wij het kennen op zijn kop zetten. Genmethoden in de sport
kunnen stimulerend van aard zijn, maar kunnen ook fungeren als methoden om
nog niet ontwikkeld talent op te sporen. Gekeken wordt dan naar de aanleg die
een persoon zou kunnen hebben voor een bepaalde sport. Gentherapie kan dan
talent registreren en modificeren. Ivo van Hilvoorde: “Kan een genetisch gemodificeerde
atleet een authentieke sportprestatie leveren?” Een filosofische discussie over gendoping op basis van
feitelijk onderzoek werd gestart door Ivo van Hilvoorde in het tijdschrift
voor de actuele filosofie Krisis. In 2004 schreef Van Hilvoorde het artikel “Topsport
en gendoping. Grenzen aan sport, opsporing en geloofwaardigheid” (te
downloaden als pdf-bestand via Krisis.eu). Van Hilvoorde is verbonden aan de
sectie Gezondheidsethiek en wijsbegeerte van de Universiteit Maastricht. Het
artikel werd gepubliceerd in 2004 in het Tijdschrift voor Empirische
Filosofie. Download het artikel als pdf-bestand via: http://www.krisis.eu/content/2004-4/2004-4-03-hilvoorde.pdf Deel 3 : Het probleem van dopingbeleid- en handhaving Het probleem van de handhaving en controle als het gaat
om doping in de sport is tweeledig. Beide problemen leveren een sterk argument op voor
degenen die doping willen vrijgeven. Schrijf ik tot mijn spijt. Een gedegen
dopingbeleid vaststellen en uitvoeren is als een liedje van Paul McCartney: “A
Long And Winding Road”. Bijna een utopie. Toch moeten we het zo goed
mogelijk proberen te doen. Enerzijds is er het probleem van de concrete doping-definitie:
Welke (technologische en medische) middelen kunnen wel en
welke niet? Welke zijn lichamelijk schadelijk, op welke termijn en waar leg
je de grens? Hoe ga je zorgen dat je op de hoogte bent van alle nieuwe
dopingvarianten? Etc..etc..
En dan zijn er ook nog verschillende antwoorden op deze
vragen, gezien over alle verschillende sporten. Anderzijds is er het probleem van de handhaving: Hoe ga je controleren? Waar ga je controleren, wanneer en
vanaf welke leeftijd? Wat zijn de straffen voor dopinggebruik? Zijn er
algemene straffen of worden straffen bepaald naar mate van het behaalde
eindresultaat, de dosis of het type middel? Schrap je resultaten uit het
verleden bij ontdekkingen in de toekomst? Etc…etc… TobSport-Conclusie: Sportbonden kunnen niets anders doen, dan zo goed en zo
kwaad mogelijk als het gaat, toe te zien op dopinggebruik door sporters. Om
hen tegen zichzelf te beschermen. En om een zo eerlijk mogelijk verloop van
individuele wedstrijden te blijven realiseren. Om de koppeling tussen
sportbeleving door amateurs (en hun prestaties) enigszins in lijn te houden
met die van de professionele broers in de topleagues. Die niet over
super-superieure methoden mogen beschikken,die elke connectie met de
plezier-spelers die nog bestaat, voorgoed laat verdwijnen. Sportbonden dienen redelijke straffen in te stellen,
degelijke controle- en handhavingmethoden te adopteren en goede nazorg te
verlenen. Hun kennis van ongewenste stimulerende middelen dient
up-to-date te zijn, om zo goed mogelijk te kunnen toezien op
het gedrag van sporters en ons als toeschouwers een zo schoon en eerlijk
mogelijk sportevenement te kunnen blijven voorschotelen. Dat vraagt om top-notch
medische kennis en kennis van de nieuwste technologische snufjes in de sport,
geboren uit wetenschappelijk onderzoek. Reglementen van bonden moeten gespiegeld blijven worden
aan de nieuwste ontwikkelingen en zonodig bijgesteld worden. Men zal echter ook goed na moeten denken over de
definitie van elke specifieke sport: Wat maakt onze sport nu tot onze sport? Welke onderdelen
vinden we vooral leuk en belangrijk? Welke willen we koste wat het kost
behouden voor het nageslacht? Welke veranderingen zien we en wat vinden we
daarvan? Hoe willen we dat onze sport over een x-aantal jaren gezien en
gespeeld moet worden? Welke factoren willen we als bepalend zien, voor het
behalen van de hoogste trede in iedere specifieke sport? Wanneer sporten tot de kern gedefinieerd worden, is ook
het bepalen van ongewenste toekomstige invloeden (bijvoorbeeld die van
technische stimuli of medicatie) een peulenschil. Het antwoord op onze filosofische discussie? De IAAF, de internationale atletiekfederatie, kan in haar
reglementen definiëren dat atleten geen operatief gewijzigde ledematen mogen
hebben om deel te nemen aan de reguliere toernooien. Excuses naar de
toekomstige gehandicapten, die zich de superbenen aanmeten. Een
sportwedstrijd moet in beginsel een eerlijke strijd opleveren. Een strijd
waarbij de gemiddelde toeschouwer zichzelf kan relativeren aan de geleverde
prestatie. Met een kunstbeen kan dat niet, maar met een bovenmatig, maar op natuurlijke wijze
getraind ‘normaal’ ledemaat weer wel. Ook een zwempak, dat door fabrikanten
steeds verbeterd wordt en voor een oneerlijke competitie zorgt dient verboden
te worden. Sporters mogen niet afhankelijk gemaakt worden van een enkel
attribuut. Van een enkele firma, die een bepaald technologisch patent bezit. De air-zool van Nike mag daarom ook niet gebruikt worden.
Zelfs niet als concurrerende merken ook gebruik mogen maken van de nieuwe luchtzooltechniek.
Ook al zouden alle sporters de zool adopteren, het verschil in het meten van
tegenwoordige prestaties in vergelijking met die van atleten uit het verleden
druist in tegen de natuurlijke evolutie van de sport. Als hoogspringers met
de zool standaard 10 centimeter hoger springen dan atleten uit vorige
generaties verniel je het verleden en het fundament onder de sport. Het
publiek zal negatief reageren: “De schoenen doen al het werk, wat zijn de
records nog waard?” Toch vind ik de klapschaats dan weer wel kunnen, al is
het verschil met de air-zool van Nike lastig te duiden. Het schaatsen is een
relatief jongere topsport dan de populairste atletische onderdelen en de
sport is gedurende gaar hele historie gewend aan het breken van records en het
verbeteren van attributen. Meer dan de atletische discipline, die natuurlijk
al op het scherpst van de snede wordt gestreden sinds de dagen van de
originele Olympische Spelen. Prestaties van schaatsters werden ook
gestimuleerd door een verregaande professionalisering in de laatste jaren.
Een natuurlijke evolutie voor iedere populaire sport met banden in de
maatschappij door het verenigingsleven. De klapschaats past in het plaatje
van de natuurlijke technologische evolutie, wordt vervaardigd door meerdere firma’s
en is ook toegankelijk voor Jan-met-de-Pet, die een rondje maakt op de
bevroren visvijver bij hem in de buurt. Dus: Nike Air-Max SuperSole Elevator XXL 2031® maar
niet doen, want de veren in die schoenen leveren zo’n wezenlijke bijdrage aan
de gewonnen hoogte op die bij de prestaties uit het verleden, dat de impact
gewoon als ‘te groot’ moet worden bestempeld. Onnatuurlijk groot. Geen
leerling loopt met gym op die dingen. Bij volleybal spring je voor je gevoel
bijna over het net heen. Of je springt om de ringen te pakken, maar eindigt
met je hoofd klem in een van die vermaledijde attributen. De klapschaats
daarentegen, beschikbaar voor iedere consument en op den duur het prototype-schaats,
is te dominant aanwezig op de consumentenmarkt om hem te kunnen weigeren.
De schaats vertaalt de menselijke prestatie beter dan de luchtzool. De zool
geeft een effect mee, dat als ‘onnatuurlijk’ bestempeld moet worden. Een aanbeveling voor de officiële sportinstanties… Naast technologie zijn er natuurlijk de dopingproduct die
geslikt, gesnoven of anderszins worden ingebracht. Sporters die van verboden
middelen snoepen dienen onherroepelijk geschorst te worden. Zeker voor twee
sportseizoenen. Ze moeten wel de kans krijgen om daarna weer volledig deel te
nemen aan alle wedstrijden wereldwijd. Maar verprutsen ze die kans, dan
verdienen ze bijna het lot van Ben Johnson in de kelder bij zijn moeder. Om eerlijke veroordelingen mogelijk te maken is een
degelijk, wereldwijd dopingbeleid nodig, gerespecteerd en uitgevoerd door
alle sporten tezamen. De aanzet daartoe zal moeten worden gegeven door de
wereldwijde politiek, die een commissie van sportende wetenschappers en
bekwame sporters instelt, die bindende regelgeving samenstelt met de
wereldwijde sportbonden. En daarna de handhaving bewaakt. De bonden werken met commissies die op de hoogte zijn van
de laatste ontwikkelingen en die definities opstellen in samenwerking met de
leden. Kijk daarbij ook naar de consumentenmarkt: is het gebruik algemeen
geaccepteerd binnen de maatschappij of zou het geaccepteerd kunnen worden? In
dat licht is het veroordelen van Yuri van Gelder natuurlijke een farce.
Yuri zondigde natuurlijk niet om beter en oneerlijk te kunnen presteren. De
nationale bonden hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid om de
bestrafte sporters tegemoet te komen met individuele hulpverleningstrajecten.
Daarnaast moeten bonden in al hun uitingen en hun doen en laten het imago van
het nastreven van een schone sport uitdragen. En de sportjeugd op die manier
opvoeden. Een reactie op woorden van de filosoof Zuijderland: In zijn column besluit Marcel Zuijderland met zijn mening
dat de illusie van het nastreven van fair-play het als argument in de
dopingdiscussie niet mag winnen van het zelfbeschikkingsrecht van het
individu over zijn eigen lichaam. Zuijderland vindt dat dat recht niet in
handen van de dopingauthoriteit mag liggen: “De sporter bepaalt hoe ver
hij gaat”. TobSport sluit zich niet aan bij Zuijderland en vindt dat
de sport en de sporter wel degelijk binnen vooraf gestelde kaders moeten
bewegen. Net als er voor gedragsregels voor sporters en bezoekers van
wedstrijden algemeen geaccepteerde regels zijn opgesteld en worden
gehandhaafd, dient het gebruik van alle bekende technologieën door topsporters
in de gaten worden gehouden en beoordeeld. Zuijderland vergelijkt in zijn column de hoogtestage van
zwemmer Maarten van der Weijden met een hoge hematrocrietwaarde in zijn bloed
als gevolg, met het op chemische wijze verhogen van de waarde en pleit dat
beide methoden zouden moeten mogen. Korte reactie: TobSport gelooft wel in het definiëren en vastleggen van fair-play
en vindt dat topsporters verantwoordelijk zijn voor een acceptabel imago voor
zichzelf, de sport en haar waarden, die zij als deelnemende sporters
vertegenwoordigen. Een sporter hoort gezondheid, eerlijk spel en liefde voor
de sport te etaleren. Een sport als begrip is met al haar historie en
maatschappelijke betekenis.groter dan het individu. Topsporters moeten altijd in de buurt blijven van de
amateurs, die zich met hen willen indentificeren. Dat laatste lukt niet met
een totaal gedrogeerde atleet of een sporter die over voor de gemiddelde
consument niet-toegankelijke hulpmiddelen beschikt. Een hockeystick van een
amateur moet in essentie vergelijkbaar blijven met die van een ‘pro’. Ze
mogen afwijken in aanschafwaarde. Maar niet door het toepassen van een voor
topsporters exclusieve technologie, bijvoorbeeld een ingebouwde automatische
piloot met behulp van GPS-techniek. De richting die de (medische) wetenschap opgaat is niet
te voorspellen. Daarom kunnen sportbonden het best de meest essentiële
waarden in hun sport vastleggen. Om vervolgens alle nieuw opduikende
producten van deze wetenschap eraan te toetsen: Gewenst of ongewenst binnen onze sport? Bronnen: Wikipedia.org over Ben
Johnson. Knack.be – “Edgar
Davids, Jaap Stam en Frank De Boer – nandrolon” (2001). Sportweek, Manon Colson
– “Vraagtekens rond opmerkelijke opmars” (27-07-2009). Sportweek, Marc Hoeben
– “Een verwoestend spoor” (20-07-2009). AD.nl, Peter van Duyl – “ ‘Epo had andere lading’ “
(18-06-2009). AD, Sportwereld - “Quotes”
(18-03-2009). De Telegraaf, Mascha de
Jong – “Paard Stenfert betrapt op doping” (28-05-2009). NRC Handelsblad, Marcel
Zuijderland – “Had Dekker toch laten fietsen” (06-07-2009). NRC Handelsblad,
Maarten Scholten – “Eind dopestrijd niet in zicht” (01-07-2009). NRC Handelsblad,
Maarten Scholten – “We moeten Titanic keren voor de ijsberg”
(04-07-2009). Nederlands Centrum voor
Dopingvraagstukken, Wiefferink et al (onderzoekers verbonden aan TNO
Preventie en Gezondheid en het NCD) - “Topsport en doping” (2005). Krisis.eu, Ivo van
Hilvoorde - “Topsport en gendoping. Grenzen aan sport, opsporing en
geloofwaardigheid” (03-04-2004). Download het artikel
als pdf-bestand via: http://www.krisis.eu/content/2004-4/2004-4-03-hilvoorde.pdf
|
|